Imertnebes

De priesteres Imertnebes
De godin Renenwetet
    uk   D  

De priesteres

Imertnebes

De Nada Kronieken, deel 38

 

© Hans Brockhuis 2006



Imertnebes, de hemet-Netjer of dienares van god, schoof langzaam de prachtig geborduurde voorhang van de tempel opzij en stapte bedachtzaam over de drempel van het heilige der heiligen. Vervolgens knielde zij in één vloeiende beweging neer voor haar godin Renenwetet. Terwijl de godin met haar slangenhoofd vol mededogen op de jonge vrouw neerkeek, die in haar zuiver linnen, bijna transparant gewaad met gespreide armen op een grote witte vogel leek, prevelde zij haar ochtendgebed:

“O Renenwetet, voor wie de goden vrezen, o vergoddelijking van het geweven kleed. Hoe gelukkig zijn zij, die u zien, getooid met uw hoofdversiering van het voorhoofd van Re. Uw koningsschort op u is Hathor en uw veer is een veer van de valk en u stijgt daarmee op ten hemel onder uw broeders, de goden […].”
Na het gebed haastte Imertnebes (Nibi, voor intimi) zich om de offergaven klaar te leggen die korte tijd later, als het nog koel was, aan de godin zouden worden gepresenteerd. Even later arriveerden de ratelaar en de zangers die haar, achter de voorhang, zouden begeleiden tijdens de offerceremonie.

Het tempelcomplex van de stad lag, zoals gebruikelijk in Opper Egypte, dichtbij de Nijl. De nederzetting van het gewone volk lag iets verderop en het gebeurde maar zelden dat gewone stervelingen aan de poort aanklopten met een bede of een andere missie. Toch was er veel contact met het volk. Elke dag plachten een aantal jonge priesters zich op de markt onder het volk te begeven, waar ze met gulle hand werden voorzien van voedsel, bestemd voor offergaven en voor de uitverkorenen van de godin, Renenwetet.

Binnenkort was het feest in de stad. De 29e Hathyr was elk jaar de dag dat Renenwetet in de Mesektet-boot in processie voorging. De voorbereidingen daarvoor waren in volle gang en voorafgaande daaraan zou Imertnebes audiëntie houden, waarbij zij, in trance gebracht door het ritme van de ratels en de trommels haar ziel zou laten reizen. Naar de bovenwereld om de godin te ontmoeten en haar uit te nodigen te bemiddelen bij de vragen die zouden worden gesteld. Zo nodig zou zij daarna afdalen naar de onderwereld om overgegane zielen te begeleiden of om de zielen van zieken terug te brengen naar het hier en nu.

-2 -

Terwijl zij in haar privé-vertrekken haar amandelvormige ogen opmaakte en nadacht over wat haar te doen stond, werd er met een staf tegen één van de pilaren bij de ingang getikt. Het was Nubhotp haar trouwe dienares uit Negada die belet vroeg. Zij maakte de voorgeschreven diepe buiging, waarna Imertnebes met een gebaar duidelijk maakte dat zij kon spreken. Hakkelend zei de dienstmaagd: “Vrouwe, eh, zojuist is een dienaar van de schrijver Meranchef in het complex gearriveerd. Hij had een papyrus bij zich.”

Iets dergelijks was hoogst ongebruikelijk en Imertnebes had zoiets nog nooit meegemaakt. Zij fronste dan ook haar wenkbrauwen. “Heeft de man nog iets gezegd?” “Nee Vrouwe”, was het antwoord, “dat was alles”. Met haar hoofd genegen reikte zij de rol aan en nadat de dienares was verdwenen las zij de boodschap.

“Ik ben de schrijver Meranchef en bestuursambtenaar van de Farao. Namens de Farao regel ik de belastinginning en de rechtspraak in deze Gouw. Ik ben een zeer belangrijk persoon en uit hoofde van mijn functie en als zoon van deze staat eer ik Renenwetet, voor wie de goden vrezen, zeer. Evenzeer acht ik U, dienares van de Godin hoog en laat u weten dat ik dadelijk, tijdens de audiëntie een vraag zal stellen waarvan ik van u verwacht dat het antwoord gunstig zal zijn. Tenslotte, mag ik u bidden om deze brief onmiddellijk te vernietigen.”

Dat was alles, maar Imertnebes was erg geschrokken want deze papyrus was er een met grote consequenties. Meranchef was een belangrijk man. Het negeren van zijn woord zou vergaande consequenties kunnen hebben. Bovendien, als de vraag dusdanig zou zijn dat zij niet anders dan een ongunstig antwoord zou kunnen geven, zou zij de toorn van de godin trotseren. Tijdens haar inwijding had zij trouw aan Renenwetet gezworen en het was dus ondenkbaar dat zij haar woorden zou negeren. Kortom, zij zat in een uiterst moeilijk parket en omdat zij met dit dilemma bij niemand te rade kon gaan, zij was het immers zelf die de personificatie van de godin was, was het haar zwaar te moede. Haar eerder zo zonnige humeur had plaatsgemaakt voor een hoofd vol twijfels en het enige wat zij kon bedenken was om naar de tempel te gaan om aan de godin zelf raad te vragen.

Even later lag zij op haar knieën voor de godin en vroeg haar om antwoorden. Tijdens de audiënties waren er de trommelaars en de ratelaars die haar, door hun monotone ritme, hielpen om in trance te geraken. In feite was dat voor haar absoluut niet nodig; communio kwam en ging, al naar gelang zij daarom vroeg. Maar het was nu eenmaal traditie en daarom liet ze het maar zo. Ze had er ook geen last van.

Het was dan ook niet nodig om haar vraag aan de godin te formuleren. Renenwetet wist zo ook wel wat er aan de hand was en kwam met het volgende advies:

“Imertnebes, lieve vriendin. Weest niet bevreesd. De vraag die aan jou door de Scribus gesteld zal worden zal jou en alle andere aanwezigen in verlegenheid brengen. Toch zal jou dit niet kunnen deren. Ben jij niet de dienares van de godin voor wie de goden vrezen. Zal dat voor stervelingen anders zijn? Geef je antwoord vrijelijk. Toen jij in dit leven incarneerde heb jij jouw woord gegeven dat jij altijd met mij in verbinding zou blijven; datzelfde geldt omgekeerd. Vertrouw daar op, lieve vriendin. We zullen elkander spoedig ontmoeten en dat zal zowel voor jou als voor mij een glorievolle dag zijn.”

De vertrouwde stem, die altijd op een onderbewust niveau tot haar sprak, zweeg. Het was goed zo. Ze zou de audiëntie in vertrouwen afwachten en naar beste vermogen antwoord geven op de vragen die haar werden gesteld. Wat er daarna zou gebeuren was ongewis maar deerde haar nu niet meer.

-3-

De audiëntie verliep zonder schokkende gebeurtenissen. De gebruikelijke vragen werden gesteld over landeigendom, burenruzies en geldproblemen. Hoewel zij niet de rechter van de streek was, dat was Meranchef, kwamen de burgers op religieuze hoogtijdagen graag met hun vragen naar Imertnebes, omdat dat een gang naar de burgerrechter – wat altijd veel geld kostte – zou uitsparen. Vragen aan de priesteres daarentegen werden slechts vergezeld van een kleine offergave voor de godin en omdat haar antwoorden altijd van een grote wijsheid getuigden, kwamen de burgers bij die gelegenheden in groten getale naar de tempel. Imertnebes placht dan, gezeten in een grote zetel op het hoge bordes voor de tempel, met negen treden gescheiden van het grote voorplein waar de menigte verzameld was, audiëntie te houden.

Jonge priesters begeleidden de vragenstellers en hun eventuele opponenten één voor één de trap op. De kwestie was al eerder aanhangig gemaakt bij één van de priesters, die vraag en omstandigheden in korte termen uiteenzette. Imertnebes, in trance, gaf vervolgens het antwoord van Renenwetet door, waarna de volgende vragensteller het bordes op werd geleid.

Aan het eind van de middag, toen de meeste vragenstellers aan bod waren geweest, was er opeens tumult op het plein. Met een draagstoel, gedragen door vier Nubische slaven, werd Meranchef tot vlak voor de negen treden afgezet. De meegekomen wachters joegen iedereen, behalve Imertnebes en Sanchensi, na haar de belangrijkste priester, van het bordes en zonder op zijn beurt te wachten schreed de Scribus de treden op. Ondanks de protesten van de priester boog de schrijver met een serviel gebaar zijn hoofd en hoewel hij niet knielde, wat gebruikelijk was, gaf Imertnebes met een korte hoofdknik te kennen dat hij kon spreken. Sanchesi inmiddels, hief zijn handen ten hemel in een gebaar van vertwijfeling.”

“Vrouwe”, zei de man op een ietwat dreigende toon, “Ik heb een belangrijke vraag voor de godin. Ik verwacht van haar een weloverwogen antwoord”. Hij keek Imertnebes daarbij diep in de ogen. “Omdat uw koningsschort Hathor is, godin, denk ik niet dat u mij in verlegenheid zult brengen.”
“Steek eindelijk eens van wal, Meranchef.”
“Goed dan, en ik zal het kort houden”, zei de schrijver/rechter bijna fluisterend, maar slaagde er desondanks in erg arrogant over te komen. “Zoals de godin weet streef ik naar het hoogste ambt, niet alleen in deze gouw, maar veel meer nog naar die in de hoofdstad. Ik hoef mijn bedoelingen niet nader toe te lichten. Mijn vraag is of de tijd daarvoor rijp is en of de godin mij haar zegen wil geven. Dat is alles.”

Sanchesi’s mond, de enige die deze vraag had kunnen horen, viel open van verbazing. Bleek als een doek wilde hij uitroepen dat een dergelijke vraag ongepast, ongehoord en uiterst verwerpelijk was. De priester was echter met stomheid geslagen en kon geen woord uitbrengen.

Imertnebes echter bleef ijzig kalm en zei waardig: “Renenwetet zal de vraag van de scribus met liefde beantwoorden. Een ogenblik geduld.”

Na enige ogenblikken begon Imertnebes weer te spreken:

“Meranchef, goede man, ik dank u dat u de moeite heeft genomen om met mij te overleggen. Ondanks uw houding van onverzettelijkheid weet en voel ik dat uw gemoed wordt verscheurd door angst en twijfel. U heeft in uw jeugd veel tegenslagen gekend, maar gij zijt er desondanks in geslaagd om een hoge functie in de gouw te bereiken. Diep van binnen weet u dat dit ambt – dat u overigens uiterst bekwaam bekleedt – voor u het hoogst haalbare zal zijn. Vraag dus niet verder Meranchef; gij hebt uw levensdoel bereikt en vervult dat, behalve de uiterlijke schijn, met eer en geweten.”

Meranchef was, terwijl de priesteres sprak, steeds roder geworden. Het was duidelijk dat hij iets anders had willen horen. Zonder iets te zeggen en met gebalde vuisten stormde hij de trap af, nam niet de tijd om in zijn draagstoel te stappen en beende, ontdaan van zijn eerder zo hooghartige gedrag, bijna rennend het plein af, alle aanwezigen in opperste verbazing achterlatend. Sanchesi, die na enige tijd zijn waardigheid had teruggekregen maakte bekend dat de audiëntie afgelopen was en samen met Imertnebes en de andere priesters trokken zij zich terug in het tempelcomplex.

-4-

Imertnebes wist dat het niet lang zou duren voordat zij tenminste op het matje zou worden geroepen. Zij had immers niet voldaan aan de verwachting van een belangrijk man als de scribus. Het was zelfs de vraag of zij morgen de processie met de Mesektet boot zou kunnen uitvoeren. Zij zuchtte; het was niet anders, dat zou Sanchesi dan moeten doen. Dat de processie uitgesteld of niet uitgevoerd zou worden was onbestaanbaar. Je kon de godin nu eenmaal niet laten wachten.

Toen het donker was en Imertnebes in haar vetrekken een heilige papyrustrol bestudeerde klonk de bekende tik van de staf van Nubhotp tegen de pilaar bij de ingang. Zij zuchtte, dat was het dan, en op de vraag van haar dienares vervoegde zij zich bij de wachters die Meranchef had gezonden. Niet lang daarna bevond zij zich in het vertrek waar Meranchef zijn gevangenen placht te verhoren. Hij was gezeten op een soort troon en werd koelte toegewuifd door middel van een enorme van pauwenveren gemaakte waaier, bediend door een slavin.

Quasi nonchalant zat hij in zijn stoel, hield zijn vingertoppen tegen elkaar gedrukt en keek Imertnebes, die op enkele passen afstand stond, minzaam aan door zijn halfgeloken ogen.

“Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken, jongedame, dat jij een ‘dringend verzoek’ van mij hebt genegeerd.” Zijn voorkomendheid voor een priesteres van de godin was volledig verdwenen. “Zulks kan niet ongestraft blijven.” Een sadistische glimlach speelde om zijn mond. “Heb je daar nog iets op te zeggen?”

Imertnebes nam niet de moeite om te antwoorden en wachtte gelaten af wat er verder zou gebeuren. Stokslagen? Het schaduwloze vlot op de Nijl? Steniging, na ingegraven te zijn in de woestijn? Ze zou het spoedig weten. Maar ze wist ook dat Renenwetet haar zou beschermen en die rijkdom hield haar volledig op de been.

“Geen antwoord hè? Geen verdediging ook. Nu weet je niets meer te zeggen. Je mooie woorden zijn op. De aanklacht is hierbij bewezen.” Hij schuimbekte bijna van woede. “Ambtenaar,” hij richtte zich tot één van zijn dienaren, “schrijf op:”

“Heden de 28e Hathyr, enzovoort, enzovoort, veroordeel ik de zichzelf priesteres noemende Imertnebes, wegens het in hoge mate nalatig zijn in het uitoefenen van het haar opgelegde ambt waarbij zij anderen nodeloos in levensgevaar heeft gebracht, tot de dood, uit te voeren door het levend inmetselen van haar miserabele lichaam in de naastbijzijnde grot. Het wordt anderen tijdens haar verblijf in de grot niet toegestaan haar bij te staan, te voeden, of van water te voorzien. Ik heb gezegd.”

- 5 –

Op het moment dat de metselaars het laatste gat in de scheidingswand hadden gedicht wist Imertnebes dat zij spoedig de staat van ‘Ba’ zou bereiken en dat haar ziel als een witte vogel het hiernamaals zou binnenvliegen. Zij keek uit naar dat moment. De schrijver had gehoopt dat zij na de uitspraak in zou storten, zich voor hem op de grond zou werpen en jammerend om genade zou smeken. Die voldoening had Imertnebes de hardvochtige man niet geschonken. Volkomen kalm, wetend dat Renenwetet in de nabijheid was, had zij haar lot afgewacht.

Nu was zij alleen met de godin. Zij voelde zich meer één dan dat zij ooit had gevoeld in de tempel. Juist nu was daar een gevoel van voleinding bijgekomen, een weten dat zij spoedig thuis zou komen en zou worden opgenomen in de gemeenschap van zielen die vanuit de onderwereld toekeken hoe het Nijlvolk haar leven leefde. Het was alsof zij een nieuwe dimensie was binnengetreden van waaruit zij alles vanaf een schijnbaar hoge positie kon gadeslaan. Ook merkte zij dat zij zich met de zielen van al die mensen kon vereenzelvigen. Zij voelde dat Sanchsesi ten einde raad was, dat Meranchef vergeefs probeerde om niet aan zijn wroeging over de executie van Imertnebes te denken en dat Nubhotp, haar dienares, nu al dacht aan terugkeer naar Negada. Blijkbaar was de aan haar altijd betoonde grote toewijding veel meer professioneel geweest dan dat zij zich had gerealiseerd.

Opeens merkte Imertnebes zich dat zij zich hoog boven de Nijl bevond. Zij vloog als een witte vogel al hoger en hoger. Haar blik ontwaarde de rode zee, de hete woestijn, het lint van steden langs de Nijl met in de verte de hoofdstad Memphis. Heiligdommen, piramides, de sfinx, alles was met één oogopslag zichtbaar. Zij realiseerde zich dat zij was overgegaan en dat zij spoedig zou binnentreden in de onderwereld die blijkbaar niet onder de voeten van de mensheid lag maar hoog in de wolken. Zo hoog dat er geen wolken meer waren en geen lucht meer was. Maar dat was ook niet nodig, want wat moest haar ziel met lucht doen. Zij hoefde hier immers niet te ademen. Er ‘Zijn’, waar dan ook en hoe dan ook was het enige wat telde.

Na een tijdje merkte ze dat zij de beperkingen van het Aardse bestaan volkomen had afgelegd. Er kwam een andere vogel naast haar vliegen. Nog een en nog een. Even later kwam er een groepje vogels vanuit een andere richting aanvliegen en gezamenlijk vlogen ze verder. Steeds meer vogels sloten zich aan en de hele vlucht streek tenslotte neer op de groene weiden van een immense oase.

Ze merkte dat ze, net als alle anderen, toch geen vogel was. Iedereen droeg een eenvoudig linnen gewaad. Bovenaan een heuvel verschenen nog meer in witte gewaden gehulde mensen. Eén van hen was haar overleden moeder, of was het Renenwetet? Ze rende op haar af en de twee vrouwen vlogen elkaar schreiend in de armen. Welkom, lieve Nibi, welkom thuis. Je reis is ten einde. Kom met me mee naar mijn woning….

Jouw sterke vleugels
Omarmen mij
Met zoveel Liefde,
Jouw Kracht aan mijn zij.
Jouw vleugels
Vangen mij op.
Mij, met heel mijn Zijn
Je draagt me tot aan de top.
Jouw vleugels
Ze laten me niet gaan
Ze laten me niet vallen
Ze laten me nooit meer los.
Jouw vleugels, mijn vleugels
Verstrengeld in elkaar
Hier en in het hiernamaals
Door jou dat ik wijsheid vergaar.


- - - - - - -
Bronnen:

Dr. J. Broekhuis: De godin Renenwetet.
Willem M. van Haarlem: Egypte
Rijksmuseum van Oudheden, Leiden
Wikipedia
Gedicht ‘Sterke vleugels’ © Izabje 6 juni 2003
www.izabels-wereld.nl