Written with Love Written Speciaal

 

 

wilg
 

 

De legende van de treurende Wilg

The legend of the weeping Willow tree

Virginia Ellis - 2005

 

_________________________________________________________________________________________________________________________________________

In the footsteps of her Mother,
Walked the pretty Indian Daughter,
Wise for one her age,

With wisdom far beyond her.

Tall she was and fair of form,
Slender, lissom, agile,
Graceful as a butterfly,

Lovely as an angel.

Like the cattails at the creek,
And the tall, thin reeds that swayed,
Willowy, the maiden was,

So, 'Willow' was her name.

As if propelled by wind or breeze,
She fairly floated when she walked,
Serene, the look upon her face,

And hushed and quiet was her talk.

A child of the forest,
A friend of tree and shrub,
Sister of the birds and beasts,

All of whom she loved.

Birds perched on Willow's shoulder,
Chipmunks nibbled from her hand,
Ferocious bears would let her pass,

And wolves stood back without command.

All God's creatures came to love her,
And she returned their valued trust,
Held each one in high esteem,

None had reason for mistrust.

Independent, self-reliant
Not fair game for youthful Braves.

More wisdom in her little finger,
Than most men could claim at any age.

From a distance, Braves admired her,
But very few approached,
Fearful of her Big Chief Father,

And fearful, too, they could not cope.

Through the years, the lovely Willow
Watched other maidens in her tribe,
Saw them wed and bear their babies,

Felt pangs she could not hide.

Her Mother said:

"Be patient,child. One day your Brave will come,
He must be special, as you are,
Fleet of foot and soft of tongue."

"But, more than that," her Father said,
"He must be a worthy hunter, too,
And shoot his arrows, straight and strong,

To bring his bounty home to you."

She knew her Father's words were right,
But Willow was disturbed and wept,
The thought of slaying forest friends,

No way could she accept.

Satisfied with grains and nuts,
And fruits from bearing trees,
Well fed by healthful roots and plants,

Willow was content with these.

Perhaps she should not marry,
What Brave would understand
Her need to save her woodland friends,

And eat strictly from the land?

Strange, beautiful Indian lady,
So misunderstood,
Her only chance for happiness

Lay deep within the woods.

One day a visiting tribe arrived,
And a young Brave was introduced,
He was a hunter and a warrior,

And a handsome Indian youth.

Overwhelmed by Willow's beauty,
He claimed her as his prize,
And under tribal pressure,

She agreed to be his bride.

Their wedding was arranged,
A fine celebration planned,
A feast - a banquet - for them all,

Preparations then began.

A hunting party left at dawn,
The young Brave led the hunt,
Into the forest went the group,

The handsome groom in front.

Also in the woods that day,
The lovely Willow was,
Communing with her forest friends,

The deer, the bears, the doves.

The hunters, spotting wild game,
Approached in soft-soled shoes,
Sweet Willow, hidden by a tree,

Did not come into view.

At the same time ... at the same place,
As fate would have it ... as you've guessed,
The hunter's arrow missed its mark,

And came to rest in Willow's breast.

An awful accident occurred,
Willow's blood flowed to the ground,
There was disbelief and shock,

And sorrow too profound.

Both tribes went into mourning,
As did Willow's forest friends,
The heavens shed their tears as well,

The grief, it seemed, would never end.

Willow was buried in the forest
At that spot where she had died,
And people say that at her grave,

A tree took root and thrived.

Tall and slender with long branches,
That hung in sorrow to the ground,

Making mournful, quiet sounds.

Today the lovely tree still weeps
Exquisite in its symmetry,
And this truly is the legend, friend,

Of The Weeping Willow Tree.


 

In de voetsporen van haar moeder,
Doorliep de schone Indiaanse dochter,
Wijs voor haar leeftijd en,

Met grote wijsheid haar leven.

Lang was ze, met mooie vormen,
Slank en lenig, behendig en
Gracieus als een vlinder,

Lieflijk als een engel.

Net als de Lisdodde bij de kreek,
En het wiegende lange, dunne riet,
Slank was het meisje, als een wilg,

En daarom werd 'Willow' haar naam.

Alsof zij werd voortbewogen door wind of bries,
Leek het of ze zweefde als ze liep,
Sereen was de blik op haar gelaat,

En stil en rustig was haar spraak.

Een kind van het woud,
Vriendin van boom en struik,
Zuster van de vogels en de dieren,`

Van allen hield ze innig.

Vogels landden op Willow’s schouder,
Eekhoorns knabbelden uit haar hand,
Wilde beren lieten haar met rust,

En wolven trokken zich eenvoudigweg terug.

Alle schepselen Gods hielden van haar,
En het vertrouwen was wederzijds,
Zij hield ieder hoog in het vaandel,

Niemand had reden tot wantrouwen.

Onafhankelijk, zelfstandig, geen partij voor jeugdige Krijgers.

Meer wijsheid in haar pink,dan waarop Anderen, van welke leeftijd ook, aanspraak zouden kunnen maken.

Bewonderd, op afstand, door dappere Krijgers,
Maar slechts weinigen kwamen haar te na,
Bang voor haar Vader, het Grote Opperhoofd,

Waarvan zij niet terug hadden.

Door de jaren heen, bekeek de mooie Willow
De andere meisjes in haar stam,
Zag ze trouwen en baby's dragen,

En voelde een pijn die ze niet kon verbergen

Haar moeder zei:

"Wees geduldig, kind. Op een dag zal jouw Krijger komen. Hij zal heel speciaal zijn, zoals jij. Vlot van Voet en zacht van tong."

"Maar meer dan dat," zei haar vader:
"Moet hij een waardig jager zijn,
Die zijn pijlen schiet, recht en sterk,

Om zijn jachtbuit bij jou thuis te brengen."

Ze herkende waarheid in haar Vader's woorden,
Maar Willow was verdrietig en ze huilde,
De gedachte aan haar dode vrienden

In het bos,kon ze onmogelijk accepteren.

Tevreden was zij met granen en noten,
En met het fruit van de bomen,
Goed gevoed door gezonde wortels en planten,

Daarmee was Willow totaal gelukkig.

Misschien kon ze beter niet trouwen,
Welke Krijger zou haar drijfveer begrijpen
Om haar vrienden in het bos te redden,

En uitsluitend te eten van het land?

Vreemde, prachtige Indiaanse dame,
Zo onbegrepen,
Haar enige kans op geluk

Lag diep in het bos.

Op een dag arriveerde een vreemde stam,
Een jonge Krijger werd aan haar voorgesteld,
Hij was een jager en een krijger,

Een knappe Indiaanse jongeling.

Overweldigd door Willow’s schoonheid,
Claimde hij haar als zijn bruid.
En onder druk van de hele stam

Ging ze akkoord om zijn bruid te worden.

Hun huwelijk werd aangekondigd,
Een mooie viering werd gepland,
Een feest - een banket - voor allemaal,

Toen begonnen de voorbereidingen.

Een jachtpartij begon bij dageraad,
De jonge Krijger leidde de jacht,
De groep trok naar het bos,

De knappe bruidegom voorop.

Ook in het bos die dag,
Was de schone Willow,
Communicerend met haar vrienden van het bos,

De herten, de beren, de duiven.

De jagers, spotten wild,
Zij naderden met zacht gezoolde schoenen,
De lieve Willow, verborgen achter een boom,

Liet zich niet zien.

Zelfde tijd ... zelfde plaats,
Het noodlot ... zoals u heeft geraden,
De jager’s pijl schoot zijn doel voorbij,

En kwam tot stilstand in Willow’s borst.

Een vreeslijk ongeval deed zich voor,
Willow's bloed stroomde tot op de grond,
Er was ongeloof en shock,

En diep totaal verdriet.

Beide stammen rouwden
Net als Willow's vrienden het bos,
De hemel huilde met hen mee,

Het verdriet, zo leek het, had geen eind.

Willow werd begraven in het bos
Op de plek waar ze was gestorven,
En mensen zeggen dat op haar graf,

Een boom wortel schoot en bloeide.

Lang en slank met lange takken,
Die in verdriet reiken tot op de grond,

En treurig rustige klanken laten horen.

Vandaag huilt de mooie boom nog steeds
Uitgelezen in haar symmetrie,
En dit, mijn vriend, is de legende, 

Van de treurende Wilgenboom.