Hoge brievenbus

  nl   uk    

 

Een adem-benemend leven

A breath-taking life

Nada Chronicles, # 84

Hans Brockhuis

Translation: Debby Jenner

 

 

Een adem-benemend leven

Hans Siegfried Brockhuis. Die naam bevalt me wel. Het zal me buitengewoon goed passen zo te heten en om vanuit die identiteit alles wat ik gedurende mijn leven op aarde zal leren, uit te dragen aan anderen. Terwijl ik het boekje van Rosemarijn Roes: ‘Mama, luister je,’ aan het lezen ben, weet ik dat communicatie met je ongeboren kind het onderwerp van deze nieuwsbrief zal worden.

Mijn eigen bewuste herinneringen gaan terug naar toen ik een jaar of drie was. Ik herken flarden van mijn moeder die op een naaimachine aan het naaien is; een omhooglopende plek met een hoge toren boven de bomen op de top; een voor mijn gevoel enorm hoge brievenbus. Het speelt zich allemaal in- en om Hilversum af; iedere genoemde plek is fysiek te duiden.

Maar wat gebeurde er daarvoor? Sommige gebeurtenissen zijn, natuurlijk vooral door mijn moeder, aan mij verteld. Dergelijke ‘herinneringen’ zijn dus door anderen in mijn memorie geplant. Tijdens het lezen van het hierboven genoemde boek, besef ik, dat alles wat er in je leven heeft plaatsgevonden, ergens op je ‘harde schijf’ moet zijn opgeslagen. Want is het niet zo dat je, wanneer je op een goede dag bent overgegaan, op de een of andere manier geconfronteerd zal worden met alles wat zich in jouw leven heeft afgespeeld? De mooie, maar ook de minder mooie momenten? Dat geldt dus ook voor herinneringen aan de tijd dat ikzelf in de moederschoot doorbracht, en zelfs daarvoor. Zeker in deze tijd dat de sluiers dunner worden en het leven op aarde zich energetisch aan het versnellen is, moet die periode te achterhalen zijn. Terwijl ik dat allemaal aan het bedenken ben, moet ik er eens goed voor gaan zitten om alles te verwerken. Dat van die hele vroege herinneringen is iets waarmee ik me tijdens mijn ‘spirituele carrière’ nog niet eerder heb beziggehouden.

Hierop doorfilosoferend bedenk ik dat het mogelijk moet zijn om terug te gaan naar de tijd dat ook ik in aanleg aanwezig was, groeiend in de baarmoeder van de vrouw die mij uiteindelijk heeft gebaard. Zoiets is mogelijk bij een regressietherapeut, maar omdat ikzelf in staat ben om herinneringen uit veel vroegere perioden ‘boven water’ te halen, zie mijn boek en een aantal van mijn Nada Kronieken op Running Fox, moet het voor mij ook mogelijk zijn terug te keren tot naar de periode van voor mijn geboorte.

Ik begin met de eerder aangehaalde brievenbus. Terwijl ik me die episode voor de geest haal, voel ik opeens twee sterke mannenhanden die mij optillen. Ik mag de brief ‘zelf’ posten! Wat ben ik trots. Het heeft oom Anton (Eig. Anthon van de Horst, van 1931 tot 1965 dirigent van de Bachvereniging, maar voor mij waren hij en zijn vrouw gewoon oom Anton en tante Judith) behaagd om mij zomaar op te tillen. Het was een afstandelijke man, maar voor mij is die onverwachte gebeurtenis een moment van intens geluk.
 
Een ander voorval. Ik zit met een meisje die een paar jaar ouder is dan ik aan de waterkant. (Moet ergens aan de Loosdrechtse plassen zijn geweest). Het is prachtig weer. Een klein grijs jong poesje loopt aan de waterkant voor ons langs. Ik vraag me af of kleine poesjes kunnen zwemmen. Daarom geef ik het een klein zetje en het arme dier komt in het water terecht. Ineens is iedereen in rep en roer. Gelukkig wordt het poesje, dat er dan uitziet als een kletsnat scharminkel, gered maar ik krijg ongenadig op mijn donder. Hoe haal ik het in mijn hoofd om zoiets beestachtigs te doen? Maar voor mij is het een leermoment dat luid en duidelijk is overgekomen.

Verder terug in de tijd. Ik ben bijna 2 jaar. De energie is nu helemaal anders. Het is vlak na de oorlog, in Oldenburg in Noord Duitsland. Ik zie een troep soldaten voorbij marcheren. Dat vind ik griezelig. Met hun helmen en geweren zien ze er gevaarlijk uit. Ik hoor dat ze een lied zingen, maar ik kan het niet verstaan. Magda (Dezelfde ziel die ik tegenwoordig Magdalena noem en die gedurende mijn hele leven hier op aarde optreedt als een van mijn belangrijkste geleidegidsen) denkpraat tegen me: “Niet bang zijn, Hansje. Het zijn soldaten uit een ander land en ze zingen dat ze heimwee hebben naar huis. Ze zijn misschien nog wel banger dan jij.” (In die tijd bezetten de Engelsen het deel van Noordelijk Duitsland waar ik ben geboren. Het is zeer waarschijnlijk dat de soldaten het lied: “It’s a long way to Tipperary” zongen.)

Weer enkele maanden terug. Mijn Duitse vader, die al jaren aan een ernstige hartkwaal lijdt, is eindelijk overleden. Ik merk dat mijn moeder erg verdrietig is, maar voor mij verandert er niet veel. Samen met Magda praat ik nog regelmatig met hem. Hij verzekert me dat hij het goed maakt en eindelijk geen pijn meer heeft en niet meer benauwd is. Dat vind ik fijn. Maar even later komt het buurmeisje – Bertha is een jaar ouder– langs, die altijd wil dat ik met haar en haar pop die lange pijpenkrullen heeft, kom spelen. “Du Hänschen, spiel doch mit mir,” zegt ze altijd vleiend, maar dat wil ik niet, want ik heb Mickey, een vormloos slap konijn dat altijd bij me is.

Maar vervolgens word ik dan weer ontzet door Tante Inga und Onkel Otto Wahl die altijd voor mij zorgen. Zij zijn schatten en zorgen voor me als waren ze mijn eigen ouders. Als ik verdrietig ben en ik vraag: “Mutti, wo?,” vertellen ze me altijd weer dat zij er niet is omdat ze Reichsmarken moet verdienen. Maar ik heb geen idee wat dat zijn en daarom vraag ik het maar aan Magda, die me dan telepathisch uitlegt hoe het allemaal in elkaar steekt.

Ik ben een half jaar. Ik word in een kinderwagen door het park (Everstenholz) aan de overkant van de straat rondgereden. Ik kijk mijn ogen uit naar de flarden licht die door het gebladerte heen schieten. Mijn vader duwt me voort. Maar dat gaat niet zo goed. Hij valt en moet een hele tijd hijgend op een bankje uitrusten. Ik krijg honger en zet het op een schreeuwen, waarna een vrouw uit de buurt mijn vader en mij zo snel mogelijk naar huis begeleidt.

Geboorte. Een vreselijke gebeurtenis. Ik word door een nauw kanaal geperst en kom uit in een felverlichte ruimte met allerlei figuren in witte jassen. Het is er koud, heel koud, en ik ben moe, zo verschrikkelijk moe. Mijn eerste confrontatie met een moeheid die het gevolg is van buitengewone hart- en longproblemen die als een rode draad mijn hele leven min of meer aan elkaar rijgen. Ik krijg van iemand een knal op mijn achterwerk zodat ik luid begin te protesteren. Maar dat schijnt de bedoeling te zijn, want iedereen is tevreden. Dan word ik bij mijn moeder gelegd die verheugd is dat ze me ziet. Maar dat straalt ze niet uit. Eerder berusting; zoiets als. “Gelukkig, dat zit er ook weer op.” Dat maakt me niet blij. Wie wel heel erg blij is, is mijn vader. Trots als een pauw loopt hij met mij door het ziekenhuis. Hij zoent elke mooie verpleegster die hij tegenkomt op de wang en laat ze allemaal: “Schau mal, mein lieber Sohn!” zien. Ongelofelijk, wat is die man gelukkig met me.

Een maand eerder. Bijna volgroeid, hoewel, Magda zegt me dat niet al mijn organen tot volle wasdom zijn gekomen, en herinnert me eraan dat ik met haar heb afgesproken dat ik een leven zou leiden dat niet bepaald van een leien dakje zal lopen. Maar daardoor zal ik in staat zijn om, hoewel fysiek problematisch, geestelijk snel tot volle wasdom te komen om de taak die ik beloofd heb op me te nemen, nog beter dan anders uit te kunnen voeren. Maar ik heb wel de keus om er op dat moment mee op te houden. Mijn ouders moeten op dat moment vluchten voor oorlogsgeweld, en het zal niet moeilijk zijn om in de hektiek daarvan een vroeggeboorte tot stand te brengen, zodat mijn lichaam het niet zal overleven en mijn ziel kan terugkeren naar het rustige leven ‘voorbij de sluiers.’

Dan kijk ik Magda diep in haar prachtige blauwe ogen en lees daar het antwoord dat ik zal geven. “Ik wil blijven, want er is werk te doen.”

Twee-en een halve maand zwanger. Het is tijd om voor de eerste maal kennis te maken met het lichaam dat door mijn moeder wordt gereedgemaakt. De vrucht is nog heel klein, maar als ziel heb je weinig ruimte nodig. Hand in hand met Magda daal ik af. Het duurt maar een ogenlik, maar ik voel wie ik zal zijn, wie mijn moeder is; wie ik worden zal. Hans Siegfried Brockhuis. Die naam bevalt me wel. Het zal me buitengewoon goed passen zo te heten en om vanuit die identiteit alles wat ik gedurende mijn leven op aarde zal leren, uit te dragen aan anderen. Inclusief het aanvankelijk vervagende maar allengs weer opbloeiende weten van hoe het er in ‘de andere wereld’ uitziet. Ondanks de fysieke beperkingen die ik zal hebben, verheug ik me op dat leven. Het zal – inclusief de noodzakelijke leermomenten – een buitengewoon en soms zelfs (letterlijk en figuurlijk) adembenemend leven zijn! Ik heb er zin in!

terug

_______________________________________________________________________________________________

A breath-taking life

Hans Siegfried Brockhuis. That name I really do like, realize. It will fit me very well and from that identity I will be able to reveal and pass on to others everything that I will learn during my life on earth.

My own conscious memories go back to when I was about three years old. I recognise bits of my mum, is sewing on the sewing machine; also an upwards running place with a high tower above the trees at the top; a in my memory enormous high mailbox. All is situated in and around the town of Hilversum; every stated situation can be physically found.

But what happened before that? Some events are, of course told to me, especially by my mum. Those ‘memories’ are planted through others in my memory. I realise however, that everything that has taken place in your life, must be saved somewhere on your ‘hard disk’. Because isn’t it true that when you pass over one day, you will be confronted with everything that has happened in your life? The good, but also the less nice moments? That also counts for memories at the time that I myself spend in my mother’s womb, and even before that. Certainly in this time when the veils are getting thinner and life on earth is energetically increasing, that period should be able to be retrieved. While I am thinking about all of this, I have to sit down properly, to digest it all. During my ‘spiritual career’ the point of the very early memories is something with which I have not kept myself busy with yet.

Philosopating further I think that it should also be possible to go back to the time that I was latently present, growing in the womb of the woman who finally gave birth to me. Something like this is of course possible with the help of a regression therapist, but because I myself am able to collect memories from very early periods, see my book and a few of the Nada Chronicles on Running Fox, it somehow should be possible for me to return to the period of before my birth.

I will start with the previous mentioned mailbox. While I go back to that episode, I suddenly feel two strong arms lifting me up. I may post the letter ‘myself’! I am so proud. It has pleased Uncle Anton (Anthon van de Horst, from 1931 till 1965 conductor of the Duct Bach Association, but for me he and his wife were just uncle Anton and aunt Judith) to just lift me up. He used to be a distant man, but for me this unexpected event is a moment of intense happiness.

Another event. I am sitting with a girl, who is a few years older than me, at the water side.  The weather is beautiful. A young little grey kitten walks by before us at the waterfront. I am wondering if little kittens can swim. Hence I give it a little push and the poor little creature ends up in the water. Suddenly everybody is in uproar. Happily the little kitten, which then looks like a soaked scrawny animal is rescued, but I do get a thundering scolding. How on earth can I do something so brutal? But for me it is a learning moment that surely has come across loud and clear.

Further back in time, I am almost two years old. The energy is now totally different. It is shortly after the war, in the city of Oldenburg in Northern Germany. I see a group of soldiers marching past. I am scared. With their noisy boots, helmets and guns they do look very dangerous. I do hear that they are singing a song, but I cannot understand it. Magda (the same soul that I nowadays call Magdalena and who during my whole life here on earth acts as one of my most important spiritual guide) think-talks to me: “Don’t be afraid, little Hans. They are just soldiers from a different country and they sing because they are homesick. They possibly are even more scared than you are.” (In that time English troops occupied the part of North Germany where I am born. It is very likely that the soldiers sang the song: ‘It’s a long way to Tipperary.’

A few more months back in time. My German father, who suffers from a heart condition for years now, has finally passed away. I do notice that my mum is very sad, but for me nothing much really changes. Together with Magda I still do regularly talk to him. He assures me that he is fine and that he finally has no more pain and isn’t short of breath. I do like that. But a bit later the neighbour girl - Bertha is one year older – comes round. She always wants that I come and play with her and her doll that has long corkscrew curls. “You Hänsel, come play with me,” she always says very flattering, but I don’t want that, because I have Mickey, a shapeless soft rabbit that I have always with me.

But next I will be relieved by Aunt Inga and uncle Otto Wahl, who always take care of me. They are truly adorable and take care of me as if they were my own parents. When I am sad and ask: ‘Mama, where?’, they tell me once and again that she is not there, because she must earn Reich marks. But I have no idea what they are and hence I do ask Magda, who then telepathically explains to me about the whole situation.

I am half a year old. I am pushed around in a pram through the park (Everstenholz) across the street. I am excitingly looking to the bits of light that shoot through the leafs of the trees. My father pushes me, but that doesn’t go so well. He falls and needs to rest for a long time on a bench. I am getting hungry and start to cry, after which a woman from the neighbourhood assists me and my dad, as quickly as possible, home.

Birth. A terrible event. I am pushed through a small canal and end up in a brightly lid space with all kinds of figures in white coats. It is cold, very cold, and I am tired, awfully tired. My first confrontation with a tiredness that is the result of extra-ordinary heart- and lung problems, which as a red thread strings my whole life more or less together. I do get a big smack on my bottom so that I start to protest loudly. But that seems to have been the idea, because everybody is satisfied. Then I am put in my mum’s arm, who is delighted to see me. But she is not beaming with that. What I feel is a bit like resignation, something like: ‘Thank god that is done.’ It doesn’t make me happy. Who is very happy, though, is my father. Proud like a peacock he walks with me through the hospital. He kisses every beautiful nurse he comes across on the cheek and shows them all: “See here, my lovely son!” Unbelievable, what is that man happy with me.

A month earlier. Almost full grown, although Magda tells me that not all my organs have reached the final stage, and reminds me that I have agreed with her that I will live a life that will not go very easy. But because of that I will be able to, although physically problematic, spiritually grow quickly to maturity, to execute the task that I have promised to take on me, even better than before. But I do have the choice, at that point, to step down. My parents need to run for the war at that moment and it will not be difficult in that hectic time to bring about an early birth, so that my body will not survive, and my soul can return to that comfortable place ‘beyond the veils’.

Then I look Magda deep into her beautiful blue eyes and read there the answer that I shall give. ‘I want to stay, because there is work to do.’

Two and a half months pregnant. It is time to meet, for the first time, the body that is prepared for by my mother. The foetus is still very tiny, but as a soul you do not need much space. Hand in hand with Magda I come down. It only just takes a moment, but I do feel who I shall be, who my mother is; who I shall become. Hans Siegfried Brockhuis. That name I really do like. It will fit me very well and from that identity I will be able to reveal and pass on to others everything that I will learn during my life on earth. Including the first fading but later again returning knowledge of how it looks like ‘in that other world.’ Despite the physical limitations I shall have, I am very much looking forward to that life. It will be – including the necessary learning moments-  an extra- ordinary and sometimes even (literally and figural) breath-taking life! I am excited about it!

back