Barraigh Island

 

  Barraigh Island uk

 

Drie grijze gedaanten

Het Genootschap van de Sleutel

De Nada Kronieken, deel 68

Hans Brockhuis

Kortgeleden vertelde een goede bekende van mij, laten we haar Kathy noemen, dat zij kennis had van een vorig leven, ergens in een grijs verleden, waarin zij als adolescent misbruikt zou zijn geweest om een bloedverwant om politieke redenen om te brengen. Zij had het voorval niet overleefd en ondervond daarvan, ook in dit leven, nog steeds de naweeën.

Samen hebben wij het voorval ingevoeld wat zich moet hebben afgespeeld rond het jaar 480 op een eiland, dat tegenwoordig ‘Barra’ heet, in het noorden van Schotland.  Onderstaand verhaal is daaruit ontstaan. Veel van wat hier wordt beschreven kan historisch worden gestaafd.



Slsh-dmm… Slsh-dmm … Slsh-dmm; het geluid van de slepende tred van de voorste en kleinste, van de drie grijze gedaanten echode tegen de doorweekte granieten rotsen. Zijn twee metgezellen liepen, slopen bijna, als altijd, vlak achter hem aan. Voor eventuele voorbijgangers, die er met deze nooit aflatende regen niet te verwachten waren, was het een naargeestig schouwspel. Drie in donkergrijze pijen gestoken mannen met hun kappen diep over hun ogen getrokken, zodat hun gelaat niet zichtbaar was. Zeker met dit weer, waar de zon achter een dik wolkendek was verscholen en de regen met hevige windvlagen omlaag gierde, was er weinig meer te zien dan drie vage gedaanten. Toch was er een ongeziene toeschouwer, maar daarover later meer. De drie mannen waren onderweg van Rubha Sqoireabhail, de noordkaap van hun eiland, naar het kasteel Kisimul, aan de oostkant waar Fionn, de vurige echtgenote van Eógan, de tweede Chief MacNeill, (Clan Niall, in de oude taal) feitelijk de scepter zwaaide.

Het weinige licht dat er op deze donkere dag nog was werd gereflecteerd door de grote sleutels die elk van de drie mannen aan een gevlochten koord om hun schouders droegen. De gezworen leden van het Genootschap van de Sleutel (the Society of the Key) waren daaraan herkenbaar. Ze verzetten zich met alle macht tegen de in hun ogen verderfelijke invloeden van de steeds vaker op het eiland Barraigh (dat in onze tijd Barra wordt genoemd)ongewenste lieden die zich Christenen noemden en hun vertrouwde geloof, gebaseerd op de wijsheid van de oude Druïden, probeerden te elimineren. Dat was iets wat met hand en tand verdedigd diende te worden.

De leider van het drietal luisterde naar de naam Dubhan, wat in zijn geval uitstekend was gekozen. Met zijn ravenzwarte borstelige haar, kleine gestalte en buitengewoon grote mond, zorgde hij er maar al te graag voor dat ieder naar zijn pijpen danste. Zijn metgezellen, de blonde Finnobarr en de roodharige Rogan waren veel langer maar zorgden er wel voor Dubhans bevelen op te volgen, anders zwaaide er wat. Wat er dan zwaaide was dan meestal de korte zweep die de man altijd onder zijn pij verborgen hield. Toch was hij een geboren leider en had hij een aantal eilandbewoners achter zich weten te verzamelen die allemaal voornemens waren het kwaad uit Rome buiten de deur te houden. Barraigh Oileán zou koste wat kost Keltisch blijven!

Dat was dan ook de missie waarop de drie mannen zichzelf hadden uitgestuurd. Zoals gezegd waren ze onderweg naar het kasteel. Het was de bedoeling om de jonge wonderschone 17 jarige Aynianrodh te ontvoeren die officieel door haar vader Eógan, maar in feite door haar moeder Fionn, was uitgehuwelijkt aan een zekere prins Muiredach van Ulster die was voorbestemd om naast prins van dat gewest en koning van Aileach ook de nieuwe Chief van Barraigh te worden. De man was – o gruwel – kortgeleden overgegaan tot het Katholieke geloof en dat was iets waar het genootschap – bezaten en beheerden zij immers niet de sleutel van het eiland – zich fel tegen had gekeerd. Een Christen als Chief op het eiland waar ze altijd zo fier waren geweest op hun eigen Orakel? Dat nooit; het was om misselijk van te worden.

Op dat moment had Aynianrodh - Aniyah voor haar familieleden en vrienden – les in kruidenleer van Annwfn, een oude vrouw uit het dorp die daar als genezeres en vroedvrouw optrad. Ook als er ziekte op het kasteel was, werd zij ontboden en in de meeste gevallen zorgde deze kleine frêle kromgebogen vrouw ervoor dat alles spoedig weer in orde was. Fionn, Aniyah’s moeder, vond het belangrijk dat haar dochter vertrouwd raakte met dit soort zaken want als zij eenmaal zou zijn getrouwd zou ze, behalve het knopen van tapijten, weinig anders te doen hebben. Annwfn was een goed mens, stond altijd voor iedereen klaar en vond het een feest om de knappe en charmante Aniyah met raad en daad bij te staan.

Aniyah’s halfbroer Koun, vernoemd naar de honden omdat hij een bastaardzoon was van de Chief, bevond zich op dat moment, niet voor het eerst, in een uiterst penibele situatie. Omdat hij weer eens was betrapt op het stelen van een appel – op dit ruwe eiland een kostbaar bezit – was hij door de wachters voor de zoveelste keer in de diepe put op het voorplein van het kasteel gegooid. Zoals altijd was hij op de richel, een halve meter boven het waterpeil geklommen en wachtte daar bibberend zijn lot af. Doordat het zo hard regende, al dagen, was het waterpeil steeds hoger gestegen en had bijna zijn richel bereikt. Er zou snel iets moeten gebeuren, anders zou het niet best met hem aflopen.

Koun woonde in het dorp. Hij was daar bij een vissersfamilie ondergebracht en om de kost te verdienen werd hij vaak meegenomen in de boot om te gaan vissen op de Caolas Bharraigh, de zee-engte tussen het eiland en het Schotse vasteland. Vader Niallan, de visser, was een goedlachse man en samen met zijn kinderloze vrouw, Kaitlyn, hadden ze Koun in hun gezin opgenomen. Ze wisten dat er voor hem als bastaardzoon geen plaats was op het kasteel maar hij kon er ook niets aan veranderen wanneer Koun weer eens de wetten van het eiland had overtreden en de jongen door de toegesnelde wachters werd aangepakt.

Koun, die dus letterlijk in de put zat, dacht om het wachten te bekorten graag aan zijn halfzus Aniyah, waarmee hij het bijzonder goed kon vinden. Van jongs af wisten ze van elkaars bestaan en op een mooie lentedag, anderhalf jaar geleden hadden ze de gelegenheid gehad om samen met Niallan rond het eiland te varen en op het enige strandje van het eiland hadden ze urenlang in de zon gelegen, naar de zeehonden gekeken, met elkaar gepraat en nieuwtjes uitgewisseld. Zij sprak over het leven in  het kasteel; hij over dat in het dorp. Het was een hechte vriendschap geworden en als het maar even kon, zochten ze elkaar op. Als jonge kinderen hadden ze niet veel om elkaar gegeven. Aniyah deed toen vaak uit de hoogte. Woonde zij niet op het kasteel en hij ‘slechts’ in het dorp? Maar naarmate ze ouder werden waren ze steeds dichter naar elkaar toegegroeid. De laatste keer dat ze elkaar hadden gezien, een week geleden, hadden ze samen urenlang in het plaatselijke café met elkaar zitten praten, gechaperonneerd door Annwfn die zich had zitten te verbijten omdat ze zoveel beter andere dingen had kunnen doen.

Koun en Aniyah hadden ook gesproken over alle veranderingen op het eiland. Het klimaat veranderde, werd steeds kouder en natter en bovendien was er de dreiging van het nieuwe geloof. Voor Koun w as het allemaal een ver van zijn bed show geweest, maar zij had hem in vertrouwen genomen over het feit dat haar moeder haar aan de Katholieke prins van Ulster wilde laten uithuwelijken, iets waar zij, om het mild uit te drukken, nog lang niet aan toe was. Koun op zijn beurt, bezwoer haar ter plekke dat hij alles wat in zijn macht lag – wat natuurlijk bitter weinig was – zou aanwenden om dat te voorkomen.

Kouder en kouder kreeg hij het. Het water had de richel bijna bereikt en geleidelijk raakte hij in een soort droomtoestand waarin hij drie grijze gedaanten langs de rotsen zag schuifelen. Het was niet echt zien in de normale zin van het woord maar toch was het voor Koun duidelijk genoeg. Het visioen breidde zich uit; de drie mannen werden er zes, de zes 12, enzovoort. Tenslotte leken zich wel meer dan 100 man als een soort helse invasie over het eiland te bewegen die het allemaal op hem, Koun, hadden voorzien. Maar vlak voordat hij in coma dreigde te raken waren er geluiden bovenaan de put. Een touw werd neergelaten en een fluistering maande hem omhoog te komen.

~*~*~*~

De leden van het Genootschap van de Sleutel, zij die zich de bewaarders noemden van het Keltische geloof, hielden elk jaar tijdens de najaarszonnewende een bijeenkomst waarbij de leden werden ingezworen en beloofden er alles aan te doen om het Roomse geloof buiten de deur te houden. Het aanstaande huwelijk van de dochter van de Chief met die onmogelijke Katholieke Ierse prins moest en zou verijdeld worden. Het drietal onder leiding van Dubhan was dus, zoals gezegd, onderweg naar het dorp om daar Koun, die als zoon van de Chief immers toegang had tot het kasteel, te bewegen de jonge Aynianrodh te ontvoeren naar het vasteland om het verderfelijke huwelijk op die manier onmogelijk te maken. Het idee was om Koun te bewegen zijn halfzus mee naar het dorp te nemen en diens pleegvader te dwingen het gezelschap over te zetten naar het gehucht Mallaigvaig aan de westkust van het vasteland. Van daaruit zou de jonge dame naar het kasteel van Inverlochy worden gebracht, waar ze aan de buitenwereld zou worden onttrokken. Heer Caedmon van dat kasteel was ook tot op het bot vijandig ten opzichte van het Roomse geloof. Aynianrodh zou daar moeten verblijven totdat de kust op het eiland veilig was.

Dat de praktijk weerbarstiger was dan de vage theorie van dit mistige plan laat zich raden. Toen het drietal eindelijk en doornat in het dorp aankwam en zij in de taveerne inlichtingen inwonnen, vernamen zij al snel van de situatie waarin Koun verkeerde. De plannen moesten dus bijgesteld worden en was het in de eerste plaats noodzakelijk de jonge bastaard uit de put te krijgen. Een van de wachters van het kasteel, Ennis, die ook lid van de Society was, werd opgetrommeld en bevolen de jonge man uit zijn penibele situatie te bevrijden. Dat zou dan wel moeten wachten totdat het donker was en de rest van de wachters dronken, want zonder bevel van vrouwe Fionn, gebeurde er niets op het kasteel.

Om een lang verhaal beduidend in te korten, volstaat hier te zeggen dat de jonge Koun uren later, voorzien van droge kleren en na het eten van een homp brood, nog steeds bibberend, voor de drieschaar werd geleid en hem te verstaan werd gegeven zijn halfzus op een goed moment uit het kasteel te lokken voor een tochtje over het water. Koun, die nattigheid voelde, was ook niet van gisteren en vroeg zich hardop af wat de bedoeling van de heren was, maar toen hij Dubhans hand onder zijn pij zag reiken en het handvat en een deel van zijn zweep zichtbaar werd, slikte hij schielijk de rest van zijn woorden in. Het zag ernaar uit dat hij niet veel keus had. Het eind van het liedje was dat hij beloofde de volgende morgen belet te vragen op het kasteel en Aniyah mee te vragen, als het weer beter zou zijn geworden, voor het beloofde zeiltochtje.

Drie dagen later zien we een trieste groep door het dan weer zonovergoten Schotse landschap trekken; de drie eerdergenoemde ‘heren’ van de Society of the Key, Koun en een tegenstribbelende Aniyah. Koun had zijn zinnen gezet op het bevrijden van zijn halfzus die eerder in het kasteel al heftig in verzet was gekomen toen Koun haar over de plannen van het sleutelgenootschap inlichtte. Natuurlijk wilde ze niet met Muiredach van Ulster trouwen; natuurlijk was ze tegen het Christelijke geloof… hoewel? Maar die zin durfde ze zelfs voor zichzelf niet af te maken. Maar om haar daarvoor te ontvoeren ging wel heel ver. Maar Koun had een vurig pleidooi gehouden en haar gevraagd toch alsjeblief mee te komen. Onderweg zouden ze wel iets verzinnen om weg te komen.

Nu sjokte het gezelschap op een steil pad, onderweg naar het kasteel van Inverlochy. Behalve hun voetstappen was er niets te horen dan het onheilspellende gekras van een raaf. Het pad rondde een metershoog rotsblok. Als ze daar omheen waren, wist Dubhan, zouden ze hun reisdoel in de verte kunnen zien liggen, spiegelend in het meer. Maar dat gebeurde niet. Op dat moment sprongen een twaalftal soldaten van Barraigh, in de kleuren van het huis MacNeill, te voorschijn die het hele gezelschap vlot inrekende en zonder veel plichtplegingen meenam naar het kasteel, waar heer Caedmon al eerder was ingerekend. Een dag later keerde het hele gezelschap terug naar het eiland.

In het daaropvolgende proces, twee dagen later op het voorplein van kasteel Kisimul, werd het vonnis geveld. De drie leden van het genootschap werden rap ter dood veroordeeld, maar Chief Eógan was eigenlijk bereid het leven van Koun, hoewel bastaard, toch van zijn eigen vlees en bloed, te sparen. Die ongehoorde toegeeflijkheid werd verijdeld door zijn vrouw, de vurige Fionn die altijd al een hartgrondige hekel aan Koun had gehad en nu haar kans schoon zag. Tot groot verdriet van Aniyah maakte ze eigenhandig met een groot mes een einde aan het korte leven van de jonge Koun.

~*~*~*~

Drie maanden later, tijdens de zomerzonnewende trad Aniyah, die vanaf dat moment Eirc – schone Ierse -  heette, in het huwelijk met Muiredach mac Eógan. Korte tijd later werden zij tot ‘King & Queen of Aileach (dat tegenwoordig Donegal heet) gekroond, waar zij ook domicilie hielden. Zij haatte deze man, kon maar niet loskomen van de gruwelijke moord op haar halfbroer, maar vervulde haar Koninklijke plichten nauwgezet. Tegelijk met het huwelijk was zij tot het Katholieke geloof ‘bekeerd.’ Gedurende de 15-jarige regeerperiode van Muiredach werd alles op Barraigh Island anders. Met de terechtstelling van de drie ‘Beheerders van de Sleutel  van het eiland, was deze groep de facto opgehouden te bestaan, zodat Muiredach ongehinderd het Roomse geloof officieel kon invoeren dat na nog enig gemor in de achterhoede snel door de bevolking werd geaccepteerd. In de praktijk kwam het er echter op neer dat het oude Druïden geloof nog eeuwenlang deel van het sociale leven uitmaakte, maar dat was voor de Chief en zijn opvolgers geen probleem.

Aynianrodh, nu dus Eirc, overleefde haar echtgenoot vele jaren. Haar laatste gedachten op haar sterfbed op het kasteel Kisimul waar ze haar laatste jaren sleet, waren gewijd aan Koun, waarvan zij zeker wist dat zij hem op een goede dag zou weerzien.

Dit verhaal lijkt geen happy end te kennen. Toch is dat wel het geval. De ziel die in dit leven Kathy heet en een aspect is van degene die eens Koun was, heeft na een groot aantal pogingen tijdens tussenliggende incarnaties, waarin ze nimmer de volwassen leeftijd heeft kunnen bereiken, eindelijk haar zielsverwant ontmoet, degene die eens Aniyah was. Het tweetal is al vele jaren gelukkig gehuwd.

  MacNeill 0f Barra Tartan McNeill of Barra Tartan