Nada Kronieken/Chronicles Buitenaards/Extraterrestrial Meditaties/Meditations Korte verhalen/shorts Bibliography
Myriah´s Grasses Roots Reïncarnatie/Reincarnation Written with love Gedichten/poems Portfolio

 

 

 

Dorestad

De Nada Kronieken/ The Nada Chronicles

part 14/deel 14

uk   nl

 

© 2002 Hans Brockhuis - translated by Mirjam Coumans, B.A.


nl

(Vervolg op ‘De Honingvlakte.' De Nadakronieken, deel 11)

Vodelmus Hiemertzoon van het Wiel, geboren A.D. 852 is de zoon van een mandenmaker te Dorestad in de Lage Landen bij de Zee. Vodo heeft schitterende ovale staalblauwe ogen, en is net 14 jaar geworden. Het gezin, men schrijft thans 866, bestaat verder uit moeder Mechte, Goldina van 13, de 12 jarige Almina, Isebrand, 11 jaar, en tenslotte Vinanda van 7.


Onverwacht begon de klok van het Godshuis in de stad te kleppen. Een langschip van de Noormannen was gesignaleerd! Sinds 817 was dat vaker gebeurd, maar nadat ze in 850 de stad hadden verwoest, was het in deze gewesten al 16 jaar lang betrekkelijk rustig geweest.

Het bleek om de Kolding te gaan, onder kapitein Ragnar van Valborg, bijgenaamd de Vorkbaard. Sinds de plundering van de stad Witla in 850 was er al die jaren een Noords garnizoen in Dorestad gevestigd geweest, maar die bestond uit slechts 20 man. Ze hielden zich rustig en zorgden er bovendien voor dat de rivierpiraten geen kans hadden om de handel, waaraan Dorestad rijk was geworden, te hinderen. De beginnende paniek ebde dan ook spoedig weg, omdat de noorderlingen bleken te zijn gekomen om het garnizoen af te lossen en om schatting te plegen.

De volgende morgen werd Almina met een partij eieren naar de markt gestuurd. Vodo liep met haar op om in het schooltje van Broeder Berthold onderricht te krijgen. Toen Almina op de markt haar eieren stond te verkopen kwam een van de stoere passagierende vikingen naar haar toe en maakte duidelijk dat hij een ei van haar wenste te kopen. “Hai,” zei de man, terwijl hij op zichzelf wees. “Jag år Holger Holmgren.” “Hallo,”antwoordde Almina blozend. “Ik heet Almina.” De noorman knikte. “Almina eh? “ Ja,” zei Almina en giechelde. Holger draaide wat om haar heen, nam een ei van haar aan en slurpte die leeg. Even later slenterde hij verder en het meisje bedacht dat ze deze knappe noorderling wel nooit meer te zien zou krijgen.

Een uurtje later zag ze uit de richting van de haven een drietal gespierde noorderlingen, omstuwd door enkele kooplieden, aankomen. De grootste van de drie was ongetwijfeld Ragnar. Hij was, mede door zijn knalrode haardos overbekend in Dorestad. “Die blonde met dat zwaard,” zei Carolus, Almina’s buurman op de markt, “is stuurman Fridjof Gyldedal. De derde is bootsman Frøde Valby.”

De drie mannen stopten bij de kraam van Carolus. De bootsman begon met hem te onderhandelen over de prijs van zijn appels. Onderwijl keek Almina tersluiks naar de woestelingen. Een huivering liep langs haar ruggengraat. Stel je voor dat ze bij dat volk op dat open schip mee over zee zou moeten. Op dat moment keek de vorkbaard in haar richting. Almina bloosde en keek snel een andere kant op. Even later waren de onderhandelingen ten einde en Carolus nam snel afscheid. “Ik moet voor de middag twintig zakken appels afleveren. Ze willen morgenochtend vroeg, bij zonsopgang, varen.”

Almina was behoorlijk in de war en bovendien zat ze nog steeds met haar mand met eieren die nog niet half leeg was. Ze moest op Vodo wachten om samen naar huis te lopen. Een half uurtje later nam Vodo afscheid van Broeder Berthold. “Bedankt voor de lessen broeder.” “Ja-ja, en je hebt weer buitengewoon goed opgelet,” zei de man ironisch. Maar ga nu maar gauw naar je zuster, want die staat al lang op je te wachten.” Hij rende naar de markt en keek rond op de plaats van haar kraam, maar tot zijn schrik kon hij zijn zusje in het gedrang niet vinden. Hij liep naar Carolus, die druk met zijn appels in de weer was. “Hé Carolus, waar is Almina?” “Huh”, antwoordde deze verward, “daarnet was ze hier nog.”

Na veel zoeken en vragen, bleek het dat Almina verdwenen was. Vodo was behoorlijk gefrustreerd geraakt en langzaam werd het donker. Hij werd steeds radelozer, benauwder en onvoorzichtiger. Toen hij met een reuzenvaart om de hoek van een graansilo rende, liep hij pardoes tegen een van de vierkante noorderlingen op. Het was de jonge koksmaat Holger Holmgren. De man schudde hem ruw door elkaar en verkocht hem vervolgens een oorvijg waarvan hij suizebolde.

“Au,” zei Vodo, waarop Holger hem in het Noords op gebiedende toon een vraag stelde.
“Almina”, was het enige wat hij kon antwoorden. Zonder iets te hebben verwacht, bleek dat onmiddellijk doel te treffen want Holger’s ogen lichtten op. Met gebaren maakte de Viking hem duidelijk dat het meisje was gevangengenomen en als oorlogsbuit op het langschip zat en mee moest naar Denemarken.

Thuis heerste verslagenheid en verdriet. Hiemert stortte volledig in en moeder Mechte zat stil voor zich uit te staren. Alleen Vodo hield zijn verstand bij elkaar. Ook hij zei niet veel maar begon wel vrijwel onmiddellijk plannen te beramen om te proberen zijn zus te ontzetten.

Later, op hun stromatras, stootte Vodo zachtjes zijn broer Isebrand aan. “Moet je horen. Straks, als het nog donker is ga ik proberen aan boord te komen om Almina te vinden en mee terug te nemen. Als dat niet lukt verstop ik me op het schip en proberen we later te vluchten als we in de moerasgebieden vlak bij de grote zee zijn. Daar kunnen ze nooit achter ons aan komen, want voor de Denen is dat onbekend gebied. Het kan een paar dagen duren, maar we komen beslist terug! En zeg niets tegen Pa en Ma voordat het licht is, want ze zouden me anders niet laten gaan!”

Toen het eindelijk licht was geworden stak Vodo voorzichtig zijn hoofd boven het dekzeil uit waaronder hij zich had verscholen. Hij keek om zich heen en zag dat ze zich midden op de trage brede rivier bevonden. Er was een lichte bries. De mast kraakte en de ra klapperde. Aan stuurboord kon hij de bossen en de heuvels van de Stichtse heuvelrug ontwaren en aan bakboord was het landschap moerassig en stond vol met enorme wilgenpartijen. Uitgestrekte rietkragen aan weerszijden van de oevers ontplooiden zich. Verder landinwaarts bestond het bos voornamelijk uit een groot aantal door elkaar heen groeiende lage kromme wilgen. Maar hier en daar stonden ook een aantal oude scheefgegroeide elzen en essen met ruwe verweerde stammen. Hier en daar stond een ooievaar of een reiger aan de oever te vissen, terwijl het schip voorbijvoer, dat werd voortbewogen door de roeiers op het trage ritme van de tamboer.

Plots werd Vodo’s blik getrokken naar een grijze wolkenformatie in het noorden, die vanaf de horizon tot eenderde hoogte van het zenit en van west naar oost een deel van de verder helderblauwe hemel bedekte. Waar had hij dit eerder gezien? Het scheen zo bekend en leek op een enorme hoogte, vele malen hoger dan de nabije heuvelrug. Hij bleef maar kijken, maar kon er niet achterkomen, wat dit zou kunnen zijn dat hem zo bekend voorkwam.

Opeens sprak een welluidende altstem in zijn linkeroor. Hij keek om maar zag niemand en haalde zijn schouders op. Maar weer was daar die stem.

“Goedemorgen Vodo. Je zit daar naar die wolkenband te kijken die zoveel in je wakker maakt. Je denkt dat het een hoogvlakte is e en je vraagt je af waar je dat eerder hebt gezien. Toch weet je zeker dat het zou kunnen want je hebt nooit een hogere heuvel gezien dan die van het Doornbos, niet ver hiervandaan.”

Vodo schudde zijn hoofd. Hij was bang, want hoewel, behalve waarschijnlijk Almina, niemand van het vrouwelijke geslacht aan boord kon zijn, klonk er duidelijk een vrouwenstem in zijn hoofd. Dat had hij nog nooit meegemaakt, en hij veronderstelde dat hij door alle emoties niet helemaal goed bij zijn verstand aan het worden was. Maar de stem ging verder.

“Toch vertegenwoordigt die wolkenformatie iets dat je wel degelijk eerder hebt gezien, maar dan op een andere tijd en plaats, hier heel ver vandaan. Op die plaats, Vodo, ligt de Honingvlakte, en het was daar dat wij elkaar voor het eerst ontmoetten. Het komt je onwaarschijnlijk voor, maar ik verzeker je dat wij indertijd een gesprek voerden, waarin ik je voorspelde dat je ooit in een situatie als dit verzeild zou raken. Want weet, beste Vodo, dit is het voorspel van datgene waarvan je indertijd gezegd hebt dat je in staat zou zijn het te doorstaan. Je zult zien dat deze weg je naar gebieden zult leiden waarin je in de positie zult zijn de toekomst van de mensen een beetje ten gunste te veranderen.”

~*~*~*~

Wordt vervolgd.

 


uk

Sequence to The Plains of Honey, the Nada Chronicles, part 11

Vodelmus (Vodelm or Vodo) Hiemertson of the Wheel, born A.D. 852, is the son of a basket maker in Dorestad in the Low Countries at the sea. Vodo has magnificent oval steel blue eyes, and has just turned 14. The family, it is now 866, consists of mother Mechte, Goldina (13), the 12 year old Almina, Isebrand, (11), and finally Vinanda (7).

Unexpectedly the bell of the house of God in the city started chiming. A tall ship of the Normans had been spotted! Since 817 that had happened before, but after they had destroyed the city in 850, it had been fairly calm in this region for 16 years.
It turned out to be the Kolding, under captain Ragnar of Valborg, alias the ‘Fork Beard’. Since the city of Witla was looted in 850, a Nordic garrison had been stationed in Dorestad all those years, but it consisted of only 20 men. They kept quiet and on top of that made sure that river pirates had no chance to obstruct the trading, by which Dorestad became rich. The oncoming panic therefore floated away soon, because the Nordics turned out to have come to replace the garrison and for estimation.

The next morning Almina was sent to the market with a load of eggs. Vodo escorted her to follow the lessons of Brother Berthold. When Almina was selling her eggs on the market, one of the sturdy Vikings passing by came to her and made clear he wanted to buy an egg off of her. ‘Hai,’ said the man, while pointing at himself. ‘Jag år Holger Holmgren.’ ‘Hello,’ Almina answered blushing. ‘My name is Almina.’ De Norman nodded. ‘Almina eh?‘ ‘ Yes,’ said Almina and giggled. Holger circled around her a bit, took an egg off of her and gulped until it was empty. A while later he sauntered on and the girl thought she would probably never see this handsome Nordic man again.
One hour later she saw three musculous Nordics, surrounded by some merchants, coming from the direction of the harbour. The tallest one was Ragnar for sure. Not only because of his red hair he was more than well known in Dorestad. “The blonde one with the sword,” Carolus, Almina’ s neighbour on the market said, “is steersman Fridjof Gyldedal. The third one is boats man Frøde Valby.”

The three men stopped at Carolus’ booth. The boats man began to bargain the price of his apples with him. Meanwhile Almina looked stealthily at the ruffians. A shiver ran along her backbone. Imagine she had to come along over the sea on an open ship with such folk. At that moment the ‘Fork Beard’ looked in her direction. Almina blushed and quickly looked another way. A little while later the negotiations had ended and Carolus hastily said goodbye. ‘I have to deliver twenty bags of apples before noon. They want to set sail tomorrow in the early morning, at sunset.’

Almina was utterly confused and on top of that she had a basket of eggs that was not even half empty. She had to wait for Vodo to walk home together. Half an hour later Vodo said goodbye to brother Berthold. ‘Thanks for the lessons brother.’ ‘Yes all right and you paid attention very well as usual,’ the man said ironically. ‘Go and hurry to your sister, because she is awaiting you for a long time already.’ He ran to the market and looked about at the spot of her booth, but to his dismay he could not find his sister in the crowding. He walked toward Carolus, who was working with his apples very busily. “Yo Carolus, where is Almina?” “Eh?”, he answered confused, “a minute ago she was still here.”

After many a question and a lot of searching it turned out that Almina had disappeared. Vodo had become pretty frustrated and it gradually turned dark. He became more and more desperate, frightened and less and less careful. When he ran around the corner of the grain storage with great speed, he bumped into one of the plump Northerlings. It was the young Holger Holmgren who helped in the kitchen. The man shook him gruffly and slapped him so hard that his ears whizzed.

‘Auch,’ Vodo said, to which Holger asked him a question in Nordic at a commanding tone. ‘Almina’, was the only thing he could answer. Without having expected anything, it turned out to hit the target at once, because Holgers’ eyes lit up. With movements of his arms The Viking made clear to him that the girl had been captured, was on the ship as spoils of war and had to come to Denmark.

At home prostration and sadness predominated. Hiemert had a mental breakdown and mother Mechte was sitting staring silently. Just Vodo had any sense left in him. He didn’t say much either, but started planning to free his sister right away.

Later, on their straw mattress, Vodo softly nudged his brother Isebrand. “Listen. In a while, when it is still dark, I’ll try to get aboard to find Almina and bring her back. If that doesn’t work I’ll hide on the ship and we’ll try to flee later when we are in the marshes near the great sea. They’ll never be able to follow us there, because for the Danes that is unknown territory. It could take a few days, but we will come back undoubtedly! And don’t tell Mum and Dad before it is light because otherwise they won’t let me go!”

When it had finally turned light, Vodo carefully stuck his head out of the tarpaulin under which he had been hiding. He looked about and saw they were in the middle of the slow broad river. There was a light breeze. The mast creaked and the ropes chattered. On starboard he could see the woods and the Stichtse hills and on larboard the marshes were full of enormous groups of willows. Vast collars of reed unfolded at each bank. Further land inward the wood mainly consisted of a great number of low, grown together, bent willows. But here and there a stork or a heron was fishing on the bank, while the ship passed, being rowed on the slow rhythm of the drummer.

Suddenly Vodo’s eyes were drawn toward a formation of grey clouds in the North that covered the horizon until one third of the height of the zenith and a part of the furthermore blue sky from West to East. Where had he seen this before? It seemed so familiar and looked like an enormous mountain, much higher than the nearby hill. He kept watching, but couldn’t figure out what it could be that seemed so familiar to him.

Suddenly a beautiful alto spoke in his left ear. He looked behind him, but saw nobody and he shrugged. But again that voice was there.

“Goodmorning Vodo. You’re looking at that formation of clouds that stirs you so much. You think it is a mountain and you wonder where you have seen it before. Still you know for sure that it can’t be familiar, because you’ve never seen a hill higher than that of Thornwood, not far from here.”

Vodo shook his head. He was afraid, because even though nobody of the female sex except probably Almina, could be aboard, a voice that was clearly female sounded in his head. He had never experienced a thing like that before, and he thought he had lost his wits because of all the emotions. But the voice carried on.

“Still that formation of clouds represents something that you have seen before, but in another time and place, very far from here. In that place, Vodo, are the Plains of Honey, and it was there that we first met. It seems surreal to you, but I assure you that we had a conversation at the time in which I foretold you that you would once be in a situation like this. Because know this, dear Vodo, this is the foreplay of which you once said that you would be able to endure. You’ll see that this road will lead you to areas in which you’ll have the position to change the future of the people a little bit to the positive side.”0


To be continued.