Thila's heuvel (foto: Mirjam Coumans)

Terug naar Farciennes

 

De Nada Kronieken, deel 19


- 1 -

Het is 22 maart 1996 wanneer mijn zoektocht door het boeiende rijk van spiritualiteit en bewustwording een aanvang neemt. Natuurlijk waren er al eerder tekenen geweest die mij er op hadden gewezen dat er meer tussen hemel en aarde zou moeten zijn. Tot op dat moment hadden die echter bij mij nog niet de snaar kunnen raken die nodig was om mij te doen inzien dat dat ‘meer’ wel heel letterlijk diende te worden genomen.

Van de ene op de andere dag was de wereld zoals ik die kende oneindig veel groter geworden en met sommige van mijn avonturen heb jij, lezer, al eerder kennis gemaakt. Die dag werden mij nogal onverwacht enkele zaken in mijn oor gefluisterd, die mij deden beseffen dat het leven zoals ik dat tot dan toe leefde, er slechts één was uit velen.

De berichten die doorkwamen, gingen heel specifiek over een jonge vrouw, Thila, die een vroegere incarnatie van mijzelf zou zijn geweest, in een Franstalig dorp in het Belgische Henegouwen, niet ver van Charleroi. Het hele verhaal speelt zich af in het jaar 1794. Een getal dat als het ware lichtend in mijn kamer verscheen.

- 2 -

Mathilde Labruyère werd op 14 augustus 1769 als vierde kind en eerste dochter van Pierre en Agnes Labruyère geboren in een arm mijnwerkersgezin in de toenmalige Zuidelijke Nederlanden, thans Wallonië, België. Ze woonden in het dorp Farciennes, niet ver van Charleroi

De oudste zoon is zoals gebruikelijk vernoemd naar vader Pierre. De tweede zoon heet Guillaume; de derde waarschijnlijk Arien. Dan volgen Mathilde (Thila), François en Julie.

Moeder Agnes is ziekelijk, zodat Thila al vroeg voor het huishouden moet zorgen, terwijl vader Pierre en de jongens - zodra ze daarvoor de leeftijd hebben - in de plaatselijke kolenmijn hun brood moeten verdienen.

Wanneer Thila 25 jaar oud is, trekken de legers van Napoleon Charleroi binnen en ronselen vader Pierre en de vier jongens om ten strijde te trekken tegen de legers van Pruisen en Oostenrijk, die zich samentrekken nabij het ca. 10 km noordelijker gelegen Fleurus. Bij Fleurus wordt op 16 juni 1794 een grote slag geleverd waarbij het Franse leger onder generaal Jourdan overwint, zodat vrijwel de gehele Zuidelijke Nederlanden aan Napoleon toekomen.

Omdat moeder Agnes eerder dat jaar is gestorven en alle mannen weg zijn, blijven Mathilde en haar zusje Julie alleen achter in het kleine mijnwerkershuisje. Wanneer later blijkt dat zowel vader als Guillaume, Arien en François als kanonnenvoer in de slag bij Fleurus zijn omgekomen, kun je je de wanhoop van de beide jonge vrouwen voorstellen. Over Pierre zijn totaal geen berichten vernomen.

Goede raad is duur en wanneer Julie enkele dagen later door een soldaat achteloos wordt vermoord, is Thila ten einde raad en zwerft uren door de straten van het grauwe mijnwerkersstadje. Ze wordt opgemerkt door een groepje terugtrekkende Pruisische soldaten en wordt als ‘oorlogsbuit’ gevangengenomen en meegevoerd.

De wanhoop van Thila is compleet. Uiteindelijk komt ze in Aken terecht bij een officiersgezin waar ze wordt gedwongen om als onbezoldigde dienstmeid jarenlang het vuile werk op te knappen.

Later komt Pierre terug uit de oorlog en vindt zijn ouderlijk huis verlaten door zijn familie. Hij gaat op zoek naar Thila en vindt haar na veel omzwervingen terug in Aken. Korte tijd zijn ze herenigd, maar hij verdwijnt toch weer uit haar leven.

Tenslotte huwt Mathilde op 20 maart 1820 - op vijftigjarige leeftijd - in Vaalserquartier de plaatselijke bakker Jochem Eldern. Lees meer hierover in deel 5 van deze kronieken: Thila vertelt. Thila overlijdt aan Tuberculose op 14 juni 1824 op de leeftijd van 55 jaar.

- 3 -

Het spreekt vanzelf dat ik nieuwsgierig ben naar de roots van dit verhaal, want behalve bovenstaand ‘dictaat’ heb ik geen bewuste herinneringen aan wat zich indertijd heeft afgespeeld. En zo, na ruim 200 jaar, in april 1999, heb ik de gelegenheid om terug te keren naar Farciennes.

Wanneer ik vlakbij ben en ik uitkijk over de heuvels aan de overkant van de vallei in de richting van Charleroi, herken ik, wanneer je de daarop staande huizen wegdenkt, het silhouet daarvan. In het stadje Farciennes daarentegen, voel ik aanvankelijk helemaal niets. De straten zijn mij totaal onbekend en ook het langwerpige met jonge bomen omzoomde dorpsplein komt mij totaal onbekend voor. Wat wel frappant is; op het moment dat ik Farciennes binnenrij ‘ben’ ik ineens weer Thila Labruyère. "On est là" is mijn eerste gedachte. "Ik ben thuis".

Ik denk min of meer in het Frans en rij rond en probeer de kerk te vinden die wat achteraf staat. Dit Godshuis lijkt echt helemaal nergens naar. Lelijk gemetselde baksteen en bijkans zonder enige architectuur. Ik rij nog even rond door de gewelfde straatjes en voel voor het eerst dat ik híer eerder ben geweest. De huisjes zijn oud en vervallen, de straatjes smal en ik kan mij heel goed voorstellen dat een arm gezin als de Labruyères hier ergens moeten hebben gewoond.

Even verderop bevinden zich de resten van een grote verlaten en vervallen kolenmijn. Het terrein is afgezet met hekken en borden met ‘interdit’ erop. Omdat het vlak achter de kerk is gelegen, moet dit de mijn zijn geweest waar Pa en de jongens hebben gewerkt. Het valt allemaal aardig op zijn plaats. De onbekende straten en het grote dorpsplein die niet herkenbaar zijn, moeten stammen uit de tijd na 1794. In 200 jaar kan er veel veranderen.

Ik stop bij de kerk. Een vrouw komt uit haar huis en vraagt wat ik wil. Ik wil weten of de kerk te bezichtigen is, maar daarvoor moet ik bij de pastoor zijn om de sleutel op te vragen. Maar dat voert me te ver. Deze kerk stamt duidelijk uit een tijd van na 1794 en ik zal er niets vinden. Bovendien vind ik het moeilijk om antwoord te geven op de vraag naar het hoe en waarom. Mijn Frans is ontoereikend en ook wanneer dat wel het geval zou zijn geweest, is het toch al dubieus om alles wat er door mijn hoofd speelt, aan zo maar iemand te willen vertellen.

Ik heb echter wel het gevoel dat wanneer ik mijn verstand zou kunnen uitschakelen en op het gevoel verder zou gaan, wel in staat zou zijn om - in ieder geval in het plaatselijke dialect - met de vrouw van gedachten te kunnen wisselen. Dit is echter niet meer dan een gevoel, van uitproberen is nauwelijks sprake. Wel is het prettig om te constateren dat ik voor het eerst niet het gevoel heb een vreemdeling te zijn, in een Franstalig gebied maar iemand die hier ook vandaan komt. Ik speel met de gedachte dat ik in Farciennes zou zijn geboren, maar elders ben opgegroeid. Op dit NU-moment stoeien de verschillende levens door elkaar heen.

Later rij ik nog een kwartiertje rond door het stadje en vertrek dan naar Fleurus. Daar is het allemaal wat minder subtiel en komt de lange rechte hoofdstraat erg bekend op mij over. Dit moet echter toch een herkenning van later zijn, want het is duidelijk een lange rechte Napoleontische weg, maar op de één of andere manier geeft dit stadje toch een gevoel van vertrouwdheid. Een plek waar ik eerder ben geweest, hoewel dat zeer zeker niet in mijn huidige incarnatie het geval is geweest. Ik eet Fast food en drink Fanta ‘chez Barbara’ en mijn verblijf in deze contreien is al met al betrekkelijk kortstondig, maar geeft toch ook wel een gevoel van ‘back to the roots’ en dat voelt heel prettig.

Het is heel wonderlijk om tijdelijk iemand anders te ‘zijn,’ maar toch ook weer jezelf. Het gevoel is eigenlijk niet te beschrijven, maar ik kan mezelf ervan overtuigen dat het een góed gevoel is. Het bereiken van dit gevoel heeft moeite gekost. De rit hierheen en weer terug was toch langer dan ik had gedacht, maar het is allemaal de moeite waard geweest en ik ben echt heel erg blij dat ik deze excursie heb gemaakt. Ik zal er lang op kunnen teren.

Zelfs de naam Labruyère is nog even opgedoken. Even voorbij Fleurus, op de terugweg via Waterloo, hangt een groot bord dat de richting aangeeft naar de golfbaan van een zekere Marc Labruyère. Een marc kan worden uitgelegd als zijnde een merkteken, een baken. De achternaam spreekt voor zich en het woord ‘golf’ geeft voor mij de bevestiging weer van gene zijde. Wanneer er golven in mijn gedachten verschijnen, markeren die voor mij altijd een bevestiging van een voorgaande gedachte. Voor dit alles ben ik dankbaar.

 

De kerk te Farciennes. (foto Mirjam Coumans).