Vrede van Munster

nl   uk

 

Vrede van Munster

Peace of Westphalia

 

Nada Chronicles, # 80

Hans Brockhuis

Translation: Debby Jenner

Vrede van Munster

Zoals zo vaak rende Dieter Mungshof weer eens door de boomgaard van de kloostertuin achter Magda Achterberg aan en probeerde haar lange vlechten te pakken te krijgen. Dat viel nog niet mee, want het meisje, in haar lange rokken tot haar enkels, was ongelofelijk wendbaar en liet zich niet zomaar beetpakken. Even later rende Dieter, die alleen maar oog voor haar had, tijdens een te korte draai met een doffe dreun tegen een appelboom, stootte zijn hoofd verschrikkelijk en belandde op de grond met zijn billen bovenop enkele appels die eerder op de grond waren gevallen. Hij voelde eens aan zijn hoofd, waar een dikke bult opkwam en riep: “Magda, komm schnell, es gibt hier manche Apfel!”

Nieuwsgierig kwam Magda aangerend, bekeek de bult meewarig en vervolgens de appels die op de grond lagen. Ze pakte de twee mooiste appels, veegde die af aan haar schort, gaf er een aan Dieter en samen lieten ze zich het fruit heerlijk smaken. Toen het op was hield ze haar schort omhoog, zodat Dieter daar de resterende appels in kon kieperen en samen renden ze naar Schwester Madelina.
Zuster Madelina, was als hoofd van het huishouden aangesteld als intermediair tussen de nonnen en het lekenpersoneel van het klooster.

Behalve de vaders van beide kinderen die timmerman en hovenier waren, bestond die uit koks en keukenhulpen, tuinlieden, boeren, boerenknechten, de molenaar van de oliemolen, een brouwerij en een wolhuis. Vanuit het grote raam van de keuken waar ze meestal te vinden was, had ze uitstekend zicht op wat de beide kinderen in hun vrije tijd aan streken uithaalden. Madelina was een forse goedlachse vrouw met altijd rode konen die zonder succes haar omvangrijke lichaam onder haar grauwe habijt trachtte te verbergen. Dat weerhield haar er niet van om, wanneer Dieter weer eens een appel uit de boomgaard had gepikt, de jongeman achterna te rennen en hem, mede namens de Allerhoogste, een flinke oorvijg te verkopen. Toch was ze gek op de beide kinderen en toen ze deze keer de twee met de schort vol appels naar de keuken zag komen lopen, smolt ze en welde er een traan uit haar linker ooghoek.

~*~*~*~
Dat speelde zich af in de zomer van 1608, de beide kinderen waren toen 9 jaar. Ze woonden 200 meter verderop in het gehucht Vinnenberg, en waren bijna buren. De nederzetting bestond uit een twaalftal arbeiderswoningen, waarvan de bewoners allen lekenwerkers waren van het nabijgelegen klooster dat eigenlijk Mons Mariae (Maria’s berg) heette maar in de wandeling altijd Vinnenberg werd genoemd, naar de grote boerderij die op deze plaats in de 13e eeuw toen het klooster werd gesticht, stond. In die tijd deed er een legende de ronde over de ontstaansgeschiedenis van het klooster. De twee broers, Bernard en Johannes von Vinnenberg die wegens erfenisproblemen met elkaar in onmin leefden, zouden op een nacht bij heldere maan twee gestalten gezien hebben die de omtrek van het zich daar toen bevindende klooster Mariënberg aan het nameten waren. Zij identificeerden de vrouw en de jonge man als Maria en de apostel Johannes, die gekleed waren zoals de twee heiligen in de middeleeuwen altijd werden afgebeeld. De twee ‘landmeters’ zetten zich na een tijdje neer op een daar liggende boomstam. Toen de twee ridders zich bij hen wilden voegen waren de twee gestalten verdwenen. Er was slechts een rode draad zijde op de stam achtergebleven. De twee broers interpreteerden het visioen zodanig dat zij hun gezamenlijke erfenis aan het kleine klooster zouden moeten schenken, zodat die zou kunnen uitbreiden.

~*~*~*~

Vater Mathaeus, een Jezuïet, kwam elke dag op zijn paard uit het nabijgelegen stadje Milte rijden, installeerde zich in de daarvoor in gereed gebrachte ruimte waar hij de ´kloosterkinderen´lesgaf in de basisvaardigheden en kennis die het voor elk kind dat daarvoor openstond mogelijk maakte om verder in het leven te komen. Hoewel dat in die tijd ongebruikelijk was, gold dat ook voor de meisjes. Zuster Amanda, de Abdis van het Benedictinessen klooster, stond erop. Het kleine klasje werd bevolkt door een zevental jongens en vijf meisjes, in de leeftijd tussen de 7 en 12 jaar.

Vader Mathaeus was een vriendelijke man die een kalme natuurlijke autoriteit uitstraalde. Hoewel hij het probeerde te verbergen had hij een voorkeur voor Dietrich en Magdalena, zoals ze voluit heetten, die hij stiekem zijn ‘Vorbildlichen’ noemde. Hij gaf de twee kinderen zoveel mogelijk les in rekenen en taal, vertelde hen onder meer over de Griekse mysteriescholen, over sterrenkunde, geografie en onderwees talen, waaronder Frans en Scandinavisch. Hij nam ze in woord en gebaar mee naar verre werelden en liet op die manier in de twee kinderen de drang ontwaken om verder te kijken dan Vinnenberg en Milte, onder welke kerk het klooster viel, zodat ze meer van de wereld zouden willen zien dan wat zich op en rond het klooster afspeelde. Mathaeus zorgde er dan ook voor, dat toen de beide kinderen twaalf jaar oud waren, zij beiden een plaats kregen in het Gymnasium Paulinium, de Latijnse school van de stad Münster, zo’n 30 kilometer naar het westen. Maar daarover later meer.

~*~*~*~

Elke zondag, door de week gebeurde dat in de kapel, werd de mis gevierd in de grote zaalkerk met zijn gotische maatwerkvensters, die in twee delen was gesplitst. Het achterste deel bezat (en bezit tot op de dag van vandaag) op halve hoogte een vloer waarboven zich een groot nonnenkoor bevindt, waar de religieuzen uit het zicht van het lekenvolk aan de eucharistie kunnen deelnemen. De notabelen uit de omgeving en de grote stad bevolkten de grote open ruimte. Zij werden elke zondag in hun blinkend gepoetste koetsen aangevoerd om te zien en gezien te worden. Na de mis brachten de heren geruime tijd, drinkend, rokend en pratend, door in het etablissement dat bij de grote oliemolen was gevestigd, terwijl de dames in hun elegante rokken en bij zonnig weer voorzien van parasols en gechaperonneerd door hun dienstmaagden, langs de grote oprijlaan paradeerden, onderweg voorzien van versnaperingen door de daar gevestigde bakker, een neef van vader Bachwerder.

De onderhorigen van het klooster hadden hun vaste plaats onder het baldakijn. Zo ook de families Mungshof en Achterberg. Magda en Dieter probeerden altijd bij elkaar te zitten. Al was het maar om te proberen kattenkwaad uit te halen, iets wat de beide kinderen steevast tot kunst trachtten te verheffen. Kortom; je kon de twee kinderen bijna altijd samen zien. Wanneer dat niet het geval was, was er beslist iets aan de hand.

~*~*~*~

Drie jaar later, in de zomer van 1609, vond Vader Matthaeus het tijd dat de beide kinderen in verband met hun leergierigheid en uitmuntende verstand verder zouden leren. Hij nam contact op met zijn Jezuïeten confrater en naamgenoot, Matthaeus Tympius, die regent was van het Gymnasium Paulinium in Münster. Hij overtuigde hem ervan dat de beide kinderen, hoewel niet uit gegoede familie, aan het gymnasium dienden te studeren. Voor de jongen maakte de regent graag een uitzondering. Voor Magdalena was dat een ander verhaal omdat op de Latijnse school uitsluitend jongens werden aangenomen. Fräulein Imolda, één van de adellijke dames uit Milte die elke zondag naar het klooster kwam om de mis bij te wonen en te bidden, was al eerder op de twee begaafde kinderen gewezen en uiteindelijk stemde zij erin toe dat zij hun verblijf in de grote stad zou bekostigen. Ze werden ondergebracht bij Dieters tante Mionda, die in Münster woonde en getrouwd was met een Hollander, Ioannis van Bochove, die uit de stad Leijden [sic] in Holland afkomstig was. Als oplossing voor het dilemma van het als meisje niet op het college mogen verschijnen, werd bedacht dat Magdalena, met kort gesneden haren en als jongen verkleed onder de naam Magdalenus aan de lessen zou deelnemen.

Tante Mia en Onkel Jannes, bij wie de kinderen al die tijd inwoonden, waren letterlijk verguld met het stipendium van vrouwe Imolda. Mede daarom zorgden ze er wel voor dat het grote geheim niet uitkwam, wat gedurende vier jaar wonder boven wonder volgehouden kon worden. Na vier jaar Latijnse school waren beiden er aan toe om aan een universiteit verder opgeleid te worden.

In die tijd bezat Münster echter geen hogeschool, hoewel Rector Mathaeus daar zijn uiterste best voor deed. Daarom verkaste het gezin van Bochove, samen met de beide kinderen en nog steeds op kosten van Fräulein Imolda van Milte in de zomer van 1613 naar oom Jans geboortestad Leiden, waar ze introkken bij zijn ouders die in een huis aan de Nieuwe Rijn woonden, niet ver van het Rapenburg waar de toen nog prille universiteit gevestigd was. Helaas was de universiteit voor de briljante Magda een brug te ver, maar doordat Dieter veel van het geleerde in zijn vrije tijd aan haar kon doorgeven, pikte zij alsnog heel veel van het geleerde op. Behalve aan de faculteit voor de Letteren had Dieter als bijvakken Rechten en Theologie, zodat ze op die manier werden klaargestoomd voor een leven midden in de roerige maatschappij van die tijd waar tegelijkertijd de 30- en de 80-jarige oorlogen woedden.

In de zomer van 1619, ze waren inmiddels 22 jaar, studeerde Dieter af in de letteren en keerde de familie van Bochove terug naar Münster. Dieter werd aangesteld als leraar oude en nieuwe talen aan het Gymnasium Paulinium, waar hij de kans kreeg nieuwe talenwonders te onderwijzen in Grieks, Latijn, Nederduits, Hoogduits en Frans. Magdalena onderwees vanuit huis de leerlingen die daarvoor in aanmerking kamen in de Scandinavische talen. Magdalena was een ongelofelijk sterke vrouw. Zij liet zich niets gelegen liggen aan ijdele praatjes van de omgeving en was zo in staat om vanuit huis haar eigen talenpraktijk te bestieren. Enkele jaren later trokken ze bij elkaar in.

Ze trouwden nooit, ongehoord in die tijd, maar er kwamen wel twee kinderen, Dieter jr. en Martha. Het ‘ledige Ehepaar,‘ zoals ze in de stad bekend waren, werd in de loop van de jaren meer en meer gezien en toen in het najaar van 1643 de onderhandelingen begonnen die uiteindelijk leidden tot de Westfaalse vrede, werden zij beiden aangesteld als vertaler en griffier voor de delegatie van het zogenoemde Heilige Römische Reich deutscher Nation.

Het tij in de oorlog tegen Spanje was eindelijk in het voordeel van de Hollandse gewesten gekeerd. Hoewel al sinds 1609 de facto onafhankelijk, diende er een vredesverdrag te komen. Afgesproken werd dat in Münster en Osnabrück onderhandeld zou worden. Voor Dieter hield dat ook reizen naar Holland in, waarbij hij o.m. bij Constantijn Huygens, secretaris van de stadhouder Frederik Hendrik, in het kort daarvoor gereed gekomen huis Hofwijck te Voorburg verbleef, om de diplomaten als griffier en tolk bij te staan tijdens hun onderhandelingen over het vredesverdrag. Magdalena, meer bedreven in de Scandinavische talen, reisde voor hetzelfde doel tijdelijk af naar Osnabrück, Amalienborg in Kopenhagen en Stockholm.

Tijdens de onderhandelingen werden de Republiek der Nederlanden en Spanje het relatief snel eens. De tekst van het bestand werd als uitgangspunt voor het vredestraktaat genomen. De Republiek der Nederlanden werd zowel door Spanje als door Pruisen als soevereine staat erkend. Op 15 mei 1648 werd de vrede definitief vastgesteld en ingezworen in het stadhuis van Münster.

Toen de delegaties vetrokken waren, kantelde het leven van de beide geliefden. Ze bleven jonge mensen lesgeven in vreemde talen, waarbij ze bovendien meer en meer een vraagbaak werden voor jongeren die met hun psychische en fysieke problemen bij hen kwamen.

Ze ontdekten dat zij beiden door middel van hun ontluikende spiritualiteit in staat waren om vele klachten gevoelsmatig te onderkennen en daarenboven ook te weten wat er aan te doen was. In de natuur, buiten de stad, zocht Magdalena kruiden als remedie tegen fysieke klachten en samen waren ze in staat om in gesprekken, waarbij vaak maar een half woord van zijn klanten voldoende was, snel tot de kern van de zaak te komen. De combinatie van beide methoden leverde verrassende resultaten op.

Over de rest van hun leven is weinig bekend. Op het eind van hun leven, in de zomer van 1665 keerden ze nog een keer terug naar Vinnenberg waar ze op een bankje onder de grote lindeboom in de kloostertuin, waarin ze als kinderen hadden geklommen, hun leven bespraken. Beiden wisten dat het een goed leven was geweest en ze beloofden elkaar in het andere leven èn in volgende levens weer op te zoeken. Vier maanden later stierf Dieter aan een longontsteking; Magdalena volgde hem vier jaar later, in de zomer van 1669.

terug

Peace of Westphalia

As so often, Dieter ran through the orchard of the monastery garden after Magda Achterberg and tried to get hold of her long plaits. That was not too easy because the girl in the long skirt till her ankles was very manoeuvrable and didn’t let herself be caught that easily. A bit later Dieter, who only had eye for her, ran during a too short turn with a dull roar against an apple tree, hit his head very hard and ended up on the ground with his bottom on top of some apples that had fallen on the ground earlier. He felt his head were a thick bump was coming up and called: ‘Magda, come quickly, there are quite some apples here.

Curiously Magda came running, looked at the bump with compassion and then at the apples spread on the ground. She picked the two most beautiful apples, wiped them on her apron, gave one to Dieter and together they fully enjoyed the fruit. When they had finished, she held her apron up so Dieter could put in the rest of the apples and together they ran to sister Madelina. Sister Madelina was appointed as the head of the housekeeping as intermediary between the nuns and the lay staff of the monastery.

Apart from the fathers of both children who were carpenter and gardener, the staff existed of cooks and kitchen helps, garden staff, farmers, farm-hands, the mill man of the oil mill, a brewery and a wool house. From the big window of the kitchen where she usually was to be found, she had a perfect view on what the two children were up to in their free time. Madelina was a large, fond of laughing woman with red cheeks who, without success, tried to hide here voluminous body under her grey frock. That didn’t stop her from chasing Dieter when he once and again had stolen an apple from the orchard and to give him a clip across the ears, also on behalf of the All mighty. Still she was very fond of both children and when she saw the two coming to the kitchen this time with an apron full of apples, she melted and a tear welled out of the corner of her left eye.

All this took place in the summer of 1608; both children were 9 years old. They lived 200 metres further in the hamlet of Vinnenberg and were almost neighbours. The settlement existed of twelve worker homes of which all inhabitants were lay workers of the nearby monastery, that was actually called Mons Mariae (Maria’s mountain in Latin), but almost always was referred to as Vinnenberg, after the big farm that stood on this place in the 13th century, when the monastery was founded. In that time a legend did round about the originate history of the monastery.

The two brothers, Bernard and Johannes van Vinnenberg who lived in discord with each other because of heritage problems, were said to have seen, on a night with a clear moon, two figures who were measuring the outline of the then small monastery. They identified the woman and the young man as Maria and the apostle Johannes, dressed the same as the two saints were always pictured in the medieval times. The two ‘land surveyors’ rested themselves on a lying tree trunk. When the two brothers wanted to join them, the two figures had already disappeared. Only one red thread of silk was left on the tree trunk. The two brothers interpreted the vision in such way that they should give their complete heritage to the monastery, so that is could expand.

Father Mathaeus, a Jesuit, came every day riding on his horse from the nearby town of Milte, installed himself in a prepared room where he taught the ‘monastery children’ the basic skills and knowledge that would help each child that was open to it, further in life. Although in that time it was unusual, it also counted for the girls.
Sister Amanda, the abbess of the Benedictine monastery, insisted on it. The small class was populated by seven boys and girls, varying in the age between 7 and 12 years of age.

Father Mathaeus was a friendly man who radiated a calm natural authority. Although he tried to hide it, he had a favour for Dietrich and Magdalena, as they were fully called, secretly naming them as his ‘exemplary children’. He taught the two children as much as possible of maths and language and told them, amongst other things, about the Greek mystery schools, astrology, and geography and educated them in languages like French and Scandinavian. He took them with him in word and gesture to far away worlds and let in that way awake in the two children the urge to look further than Vinnenberg and Milte, under which the church fell, so that they would want to see more of the world than that what was happening on and around the monastery. Mathaeus also arranged that when both children became 12 years old, they would get a place at the Gymnasium Paulinium, the Latin school of the city of Münster, about 30 kilometres to the west. But more about that later.

Each Sunday the mass, during the week this happened in the chapel, was celebrated in the big church hall with his gothic custom-made windows that was split in two parts. The back part had (and still has) on half height a floor above which was a big nun choir, where the religious people could take part in the Eucharist, out of sight of the lay people. The notables from the surrounding lands and the big city sat in the large open hall. Every Sunday they came in their shiny carriages to the service to look and to be seen. After mass the gentlemen used to spend a certain time drinking, smoking and talking in the establishment that was situated by the big oil mill, whilst the ladies in their elegant skirts and by sunny weather paraded with their parasols and chaperoned by their maiden-servants along the large drive, on their stroll provided with snacks of the local situated backer, a nephew of Father Bachwerder.

The dependants of the monastery had their solid place under the baldachin. This also counted for the families of Mungshof and Achterberg. Magda and Dieter always tried to sit together. Even if it was just for the mischief they were after, something that both children tried to lift up to art. To be short: you could almost always see the two children together. When that was not the case, then definitely something would be wrong.

Three years later in the summer of 1609 father Mathaeus decided that both children (because of their studiousness and excellent brains) would continue learning. He contacted his Jesuit colleague and name-a-like, Mathaeus Tympius who was regent of the Gymnasium Paulinium, the Latin School of Münster. He convinced him that both children, although not from wealthy family, should study at the Gymnasium. For the boy the regent gladly made an exception. But for Magdalena that was a different story, because the Latin school solely took boys on. Lady Imolda, one of the noble ladies of Milte who came every Sunday to the monastery to attend the service and to pray, had already been pointed out to the two gifted children and in the end she agreed to take care of their stay in the big city. They were lodged by Dieter’s aunt Mionda who lived in Münster and who was married to a Dutchman, Ioannis van Bochove who came from the city of Leijden in Holland. As solution to the dilemma of the girl not being allowed in class was brought that Magdalena with short cut hair, dressed as a boy and named Magdalenus would take part in the classes.

Aunt Mia and uncle Jannes with whom the children had been lodging all that time were highly pleased with the scholarship of lady Imolda. Also because of that they took great care not to tell the big secret, which by miracle, could be sustained for four years. After four years of Latin School, both were ready to be educated at the University.

In that time Münster however had no university although rector Mathaeus did his utmost best for that. Hence the Bochove family, together with both children and still at the expenses of lady Imolda, moved from Milte to uncle Jan’s city of birth Leiden. In the summer of 1613, they were lodged with his parents who lived in a house at the Nieuwe Rijn, not far from Rapenburg where by then the young university was established. Unfortunately for the brilliant Magda the university was a bridge too far, but because Dieter could pass on a lot of what he had learned to her in his free time, she still managed to pick up a lot. Apart of the faculty of Arts Dieter had as subsidiaries Law and Theology, so that in that way they were made ready for a life in the turbulent civilisation of that time, where at that same time the 30- and 80-years wars were raging.

In the summer of 1619, they were by then 22 years old, Dieter graduated in Arts and the family Bochove returned to Münster. Dieter was appointed as a teacher of old and new languages at the Gymnasium Paulinium, where he got the chance to teach Greek, Latin, Low German, High German and French. Magdalena taught the pupils who were appointed to the Scandinavian languages from home. Magdalena was an incredible strong woman. She didn’t care for the idle talk from the neighbours and was capable of managing her own language practise from home. A few years later they moved in together.

They never married, which was unheard of in that time, but two children came, Dieter jr. and Martha. The ‘unmarried couple’ as they were known in the city was seen more and more often and when in the autumn of 1643 the negotiations started which in the end led to the Peace of Westphalia, they both were appointed as translator and clerk for the delegation of the then so called Holy Roman Empire.

The tide in the war against Spain turned eventually in favour of the Dutch provinces. Although already de facto independent since 1609, a peace treaty was necessary. Agreed was that negotiations would take place in Münster and Osnabruck.
For Dieter this also meant travelling to Holland, where he resided, amongst others, at Constantijn Huygens, secretary of governor Frederik Hendrik, in the shortly before finished fine house of Hofwijck in Voorburg, a suburb of The Hague. From there he supported the diplomats as a clerk and interpreter during their negotiations about the peace declaration. Magdalena, more able in the Scandinavian languages, temporarily travelled for the same purpose, to Osnabruck, Amalienborg in Copenhagen and Stockholm.

During the negotiations the Republic of Holland and Spain pretty soon agreed with each other. The text of the 12 year truce was taken as starting point for the peace treaty. The Republic of Holland was acknowledged as sovereign state by both Spain and Prussia. On 15 may 1648 peace was a definite fact and initiated in the city hall of Münster.

When the delegations had left, the life of both lovers turned. They continued to teach young people in foreign languages, by which they more and more became a vademecum for the youngsters, who came with their psychological and physiological problems to them.

They discovered that they both were able, with means of their awakening spirituality, to recognise a lot of problems and also knew what to do about them. Outside the city, in nature, Magdalena sought herbs as a remedy for the physical problems and together they were able to quickly come to the core of the case in conversations with their clients. Usually half a word of the client was enough. The combinations of these two methods gave surprising results.

About the rest of their lives little is known. In the summer of 1665 they   for one last time to Vinnenberg were they had long talks about their lives, sitting on the bench under the big lime-tree in the monastery garden, in which they had climbed as children. Both knew it had been a good life and they promised each other to look each other up in that other life and next lives. Four months later Dieter passed away from pneumonia. Magdalena followed him four years later, in the summer of 1669.

back