Nadine

 

De Nada Kronieken, deel 29

Hans Brockhuis

 


In het compartiment in de trein schuin tegenover me bevindt zich een jongedame waarvan ik zeker weet dat ik haar nooit eerder heb gezien. Ze fascineert me want hoe langer ik hierover nadenk komt het mij voor dat ik haar toch eerder gezien moet hebben, beleefd, gesproken. Op de een of andere manier ‘voelt’ zij bekend, er heerst een soort éénheid, een doordrongen-heid. Toch kan ik hierop geen vat krijgen. Deze bekendheid is, zo lijkt het, van een andere orde.

Dan geeft haar mobiele telefoon een riedel. Ze neemt op en zegt opgewekt: “Met Nadine”. Ze voert een kort gesprek met degene aan de andere kant van de verbinding.

Ik sluit mijn ogen en heb het gevoel dat ik het ben die dit gesprek voert. Terwijl het fysieke gesprek over heel andere dingen gaat, gaat het ‘binnendoor’ over verwachting, over hoop, over wat eens was en ooit weer zal zijn.
De zon schijnt fel in mijn gezicht en terwijl ik zit te mijmeren over wat zich zojuist schijnbaar heeft afgespeeld wentelen de mooiste kleuren zich door mijn blikveld. Goudgeel, scharlaken, amber en nog veel meer.
Dan duikt de trein een tunnel in en veranderen de kleuren spoorslags naar afwisselend een diepdonkerblauw, sepia, purper en tenslotte in wat ik niet anders kan omschrijven dan een wollig patroon van matblauwe ronde vlokken die eerst statisch zijn maar allengs gaan rondtollen rond een centrum. Er ontstaat een lichtpuntje dat steeds feller wordt. Het puntje wordt geleidelijk een schijfje, wordt intenser, vergroot zich, en terwijl het licht steeds feller wordt ontstaat een kanaal, een tunnel, waardoor ik als het ware word meegezogen naar onbekende verten.

~*~*~*~

Terwijl een deel van me weet dat ik nog steeds in de trein zit, ontdekt een ander deel dat ik met mijn tweelingziel die Nadine heet, langs en door een wilde rivier loop. Aan weerszijden worden de kaarsrechte wanden steeds hoger en de bedding van de rivier wordt steeds smaller. Het is heet, maar de felle zon wordt getemperd door de weelderige begroeiing langs de rotsen.

Wat doen we hier, zo vraag ik mij af. Toch lijkt het allemaal heel erg vanzelfsprekend. We zijn op zoek naar iets, maar wat? Is het hoop? Is het verwachting? Is het wat anders? Vragen die een antwoord zoeken.

Een eekhoorn zit met zijn kraaloogjes naar ons te kijken. Dag eekhoorn! Het dier vertelt ons over de schoonheid van de creatie van Moeder Natuur. Even verderop stuiten we op een mooie bruine vlinder die ons vertelt dat hoewel het leven eindig lijkt, dat niet het geval is en dat, net als de vlinder, die voordat hij vlinder werd eerst in een andere gedaante, als pop, ter wereld kwam en nu de wereld beziet vanuit het perspectief van iemand die een verheven positie bezit en zo dingen kan bewerkstelligen die eerst onmogelijk leken.

Weer verder drijft in de rivier een taling die, omdat hij eend is, zowel kan lopen, zwemmen als vliegen. De vogel vertelt ons dat het leven niet alleen bestaat uit datgene wat voor de hand ligt, maar dat er altijd oplossingen te vinden zijn op momenten dat je die het minste verwacht of dat je ten einde raad bent en de weg schijnbaar ten einde gekomen is.

Wij danken de drie wijze schepsels voor hun goede raad en vervolgen onze weg.
Tenslotte is de kloof zo smal geworden dat er naast de rivier slechts rotswanden oprijzen en er noch aan de ene zijde, noch aan de andere kant, een pad is overgebleven.

Wat nu te doen? We kunnen niet verder. Goede raad is duur. Dan herinneren we ons de woorden van de eekhoorn, de vlinder en de taling en besluiten ergens een onderkomen voor de nacht te gaan zoeken. Morgen zien we wel verder. We geven ons over.

Wat hoger op de helling bevindt zich een ondiepe grot waarin een aangename temperatuur heerst. Met behulp van Nadine’s aansteker en het niet moeilijk te vinden sprokkelhout maken we een vuurtje en eten onze boterhammen op. Tegen de muren en in het licht van het flakkerende vuur ontdekken we rotsschilderingen van jagers die hun prooi verschalken; van vele sterren in de nachtelijke hemel en van een buigende antilope die aldus de grootsheid erkent van een passerende zwarte beer.

Als om dit alles te bevestigen zien we de volgende dag, wanneer het licht is geworden, een gouden adelaar overvliegen. Het dier trekt een aantal rondjes boven de vallei en ontmoet en passant een grote blauwe reiger die blijkbaar een boodschap heeft voor de adelaar. Door middel van een gierende duikvlucht maakt deze duidelijk de boodschap te hebben begrepen.

Op de rand van de rots gezeten bekijken we dit allemaal en we weten dat de richting waarin de adelaar wegvliegt, de richting zal zijn waarin we moeten verder trekken. Dat moet de route zijn die wij zullen nemen om datgene te bereiken waarvoor we gekomen zijn; onze zoektocht naar en in het ongeziene, het overkomen van diepe angsten en het weten dat het leven geleefd mag worden op de wijze zoals die zich aan het gevoel openbaart en niet uitsluitend door het verstand wordt gedicteerd.

Dat tegen elkaar gezegd hebbend, moet bovendien direct worden meegegeven dat het verstand beslist niet uitgeschakeld dient te worden. Het is van belang dat er een balans ontstaat tussen verstand en gevoel en om dat te bereiken is deze tocht, zoals het zich laat aanzien, bedoeld.

Opeens blijkt de eerder zo gezwollen rivier tot rust gekomen te zijn en stappend van rots tot rots vervolgen we onze weg.

Op dat moment word ik me weer bewust van mijn omgeving en kijk ik weer naar het landschap waaraan de trein voorbijtrekt. In het compartiment schuin tegenover me bevindt zich een jongedame waarvan ik zeker weet dat ik haar nooit eerder heb gezien. Maar is dat wel zo?