Buitenaards Plejadische dossiers Nada Kronieken Running Fox Homepagina Written with Love Written Speciaal
Silxtra

 

De Kloof van Onesiphora

 

De Nada Kronieken, deel 4

© Hans Brockhuis – 2001

 


Silxtra is de zevende van veertien planeten behorende tot het sterrenstelsel Vega, de helderste ster van het sterrenbeeld Lier. De wetenschap duidt deze ster aan als van het type A1-Wit en bevindt zich op een afstand van 26,4 lichtjaren van onze eigen ster Sol.

Rolverdeling in volgorde van opkomst.

Luciana de Lichtende; hogepriesteres.
Ignatia, genaamd de Vurige; wetenschapster.
Veleda; zieneres.
Gailan; voorzitter van de Raad der Wijzen.
Docilius de zachtmoedige; echtgenoot van Ignatia.
Dylys; zoon van Ignatia en Docilius.
Hanani de lieftallige; priesteres.
Angelika de engelachtige; dochter van Ignatia en Docilius.
Phila; bewoonster van de Heuvelen der Verborgen Krachten.
Glauca de blauwglanzende; oudste dochter van Phila.
Martellus de strijdbare; volwassen zoon van Phila.
Ibo de zorgvuldige; ambtenaar van Gailan en echtgenoot van Phila.
Phytius de verstandige; hoofdingenieur van Ignatia.


De veelvormige zwevende klankschalen brachten hun delicate klanken voort in de energetische winden van het noordelijke contitent op de planeet Silxtra. Maar Luciana de Lichtende, hogepriesteres van de Tempel der Smaragden Winden, hoorde ze niet. Ze ijsbeerde onrustig door haar privé vertrekken. Het was haar angstig te moede. Wat zou er gaan gebeuren als de plannen van de vurige Ignatia en de groep geleerden die zij om zich heen had verzameld, werkelijkheid zouden gaan worden. Het geknoei van die zogenaamde vernieuwers die zo nodig de primaire energiestromen wilden kooien, zoals zij dat noemden, en aan te wenden voor hun eigen genoegens, deed haar huiveren bij de gedachte wat er allemaal mis zou kunnen gaan. Om haar angstige vermoedens te staven had zij die dag haar vriendin de zieneres Veleda geraadpleegd en aan het orakel gevraagd hoe de toekomst van Silxtra eruit zou gaan zien indien de plannen van de groep die zich de “Modernisten” noemden, zouden doorgaan en zouden worden goedgekeurd door de Raad der Wijzen onder leiding van voorzitter Gailan. Luciana verdacht Gailan er overigens van op een subtiele manier ook tot die “modernen” te behoren, wellicht onder een dekmantel of via de onder zijn invloed staande Dylys, de kortgeleden volwassen geworden zoon van Ignatia.

Ze zou morgen maar eens met Docilius, de echtgenoot van Ignatia, moeten spreken, hoewel het niet de gewoonte was dat zij, als hogepriesteres, dergelijke initiatieven nam. Normaliter waren het in bijna alle gevallen de in nood verkerende denkgeesten die bij haar kwamen om raad. Docilius, wist Luciana, was een zachtmoedig man, die zich niet snel van de wijs liet brengen en bovendien nogal plooibaar was. Hij was wellicht in staat om Ignatia op andere gedachten te brengen. Bij nader inzien was dat niet zo erg waarschijnlijk, maar alles moest geprobeerd worden om de modernen te stoppen. Zenuwachtig gierde ze uit. “Het zou om te lachen zijn als het allemaal niet zo ernstig was”. Want wat het orakel gezegd had, zo herinnerde Luciana zich, voorspelde niet veel goeds.

“Zie de vijver van Eenheid. Het oppervlak is onberoerd en de heldere wolkenloze luchten spiegelen zich en ze weten dat het goed is. Maar daar arriveert bij de oever een jonge vrouw die platte stenen over het wateroppervlak begint te keilen. Wolken trekken zich samen en in de verte kun je de donder horen die zich tussen de heuvels aandient. Elke aanraking van de stenen met het water vormt een steeds uitdijende kring en uiteindelijk komen alle kringen tezamen en veroorzaken een grote beroering in de vijver”.

Luciana kon een huivering niet onderdrukken toen ze de woorden van het orakel herbeleefde. “Grote beroering in de vijver! Dat kon alleen maar betekenen dat het er voor de planeet niet goed uitzag”. Ze zuchtte een diepe zucht en voelde de vibraties van de vele schitterende kleuren, die op dat moment door de tempel trokken, als een elektrische stroom door haar energielichaam stromen. Maar het orakel had nog meer gezegd, maar dat vermocht niet meer tot Luciana door te dringen. En dat terwijl zij alom werd geprezen door haar vermogen om naar anderen te luisteren en in te voelen waar zich de problemen bevonden en troost te geven waar dat nodig was. 

“Maar uiteindelijk zal de beroering afsterven en de eendracht in de Vijver der Eenheid zal weerkeren…”.

Maar deze laatste woorden van Veleda hadden bij haar geen snaar kunnen raken en werden aldus opgelost in de winden der vergetelheid. 

Het gesprek met Docilius die Luciana via Hanani, haar vertrouwelinge, had ontboden, verliep aanvankelijk in een ontspannen sfeer. Ook hij maakte zich zorgen over de richting die zijn gemalin had genomen en over de rol van Dylys daarin, die zich helemaal liet inpakken en niet bij machte was om weerstand te bieden aan de verlokkingen van datgene wat hem in het vooruitzicht was gesteld. De modernen, zo maakte hij aan Luciana duidelijk, waren er blijkbaar van overtuigd dat de gekooide energieën een vooruitgang zouden betekenen en veel genietingen zouden kunnen geven aan de individuen die het “geluk” zouden smaken om daarmee in aanraking te komen. Dat was ook de reden dat hij en zijn dochter Angelika zich vaak eenzaam voelden in hun woonstede, wanneer Ignatia en Dylys zich elders bevonden om hun – wat hij noemde – alchemistische praktijken ten uitvoer te brengen. 

“Het is allemaal erg moeilijk” verzuchtte Docilius, “en in verband daarmee moet ik je nog iets anders vertellen”

Luciana keek op: “Wat mag dat dan wel zijn Docilius?”

“Je kent Phila, degene die resideert op de hellingen van de Heuvelen der Verborgen Krachten?”

“Inderdaad, ga door”.

“Ik heb je uitgelegd dat ik door de activiteiten van Ignatia nogal eenzaam ben en enkele cycli geleden ben ik in contact gekomen met Phila, die – zoals je weet een uiterst vriendelijk karakter heeft – en die heeft zich als het ware een beetje over mij ontfermd. Ik ben daar, samen met mijn dochter Angelika enkele malen geweest en in samenhang met hun kinderen, Glauca en Martellus, vormen wij vieren een prachtig vibrerende combinatie. Wij houden ons bezig met trillingspoëzie en ik moet zeggen dat het al tot resultaat heeft geleid omdat een deel van ons werk is verschenen in de Galerie der Goedheid, misschien heb je ervan gehoord?”.

“Nee Docilius, dergelijke zaken zijn niet onze regel. Maar vertel eens, welke rol speelt Ibo, Phila’s echtgenoot in dit geheel?”

“Ibo is secretaris van Gailan en houdt zich verre van poëtische zaken. Die is alleen maar geïnteresseerd in staatszaken en laat zich zelden zien.”

Luciana dacht even na.

“Het ziet er dus naar uit dat er twee facties aan het ontstaan zijn. De modernen aan de ene kant en de, laat ik zeggen: “verborgen krachten” aan de andere kant, is dat juist?”

Docilius knikte.

“Inderdaad, daar komt het ongeveer op neer. We proberen op een subtiele manier denkgeesten te interesseren voor de idee dat de energiebundelingen zoals die door de modernen worden nagestreefd, een catastrofale weg zijn”.

“Een héél gevaarlijke weg, Docilius!”.

“Wat bedoel je?”

“Als ik zeg een héél gevaarlijke weg, dan bedoel ik ook een heel gevaarlijke weg, Docilius. Gisteren heb ik naar aanleiding van dit onderwerp het orakel van Veleda geraadpleegd en wat zij zei, laat niets aan duidelijkheid te wensen over. De gezondheid van onze planeet, onze Moeder Silxtra staat op het spel Docilius! Er moet met alle kracht naar gestreefd worden om de modernen tot staan te brengen. Dit kan niet langer zo voortduren”.

Docilius schrok en de klankschalen lieten een geluid horen dat aan een zucht deed denken.

“Je zegt daar nogal wat, Luciana. Ik vind het ook een heilloze weg, maar wat kan ik meer doen dan wat ik, samen met Phila en de anderen, al doe?”

“Ignatia is jouw eega, Docilius. Jij bent de enige die invloed op haar heeft”.

“Dat valt heel erg mee, of tegen, hoe je het noemen wilt. Wij zien elkaar nauwelijks de afgelopen tijd en ik zei je al dat ik tegenwoordig bij Phila veel beter terechtkan met mijn emoties dan bij Ignatia”.

Luciana keek op en tegelijkertijd ontstond er een zekere spanning tussen de beide gesprekspartners.

“Je wisselt toch geen energieën met haar uit, Docilius”, zei ze dreigend.

“Dat gaat zelfs jou niets aan Luciana. Ik ben mijn eigen denkgeest, ik maak mijn eigen keuzes en meer dan waar de omstandigheden mij gebracht hebben, is en zal er niet gebeuren”.

De hogepriesteres moest bijna lachen en zuchtte eens. De invloed van de tempel was tanende. Dat wist ze natuurlijk al lang, maar het werd maar weer eens bevestigd.

“Natuurlijk Docilius, vergeef me. Door de ernst van de zaak vergat ik mijzelf”.

“Het is al goed, Luciana. Ik zal proberen Ignatia op andere gedachten te brengen, maar ik betwijfel of dat zal lukken. Zij is ook onderdeel van een geheel geworden en het zal haar niet gemakkelijk vallen daarvan afscheid te nemen. En bovendien is de invloed van Gailan niet te onderschatten. Hij staat niet alleen achter de plannen; hij moedigt ze zelfs aan. Volgens mij is hij van zins om ook gedurende de volgende raadsperiode voorzitter te blijven”.

Op dat moment resoneerde de gong voor het middaggebed door de tempel. Docilius nam haastig afscheid en Luciana begaf zich naar haar steun en toeverlaat Hanani om tijdens de gebedsronde samen voorspraak te vragen voor een goede afloop.

Drie maanden later vinden we Ignatia, met haar zoon Dylys in hun virtuele laboratorium. Samen met enkele assistenten zijn ze intensief bezig aan de voorbereidingen voor de laatste proeven van hun grote experiment. Nadat er al een aantal mislukkingen bij het uittesten van de proefmodellen waren geweest, die helaas wel enige fysieke schade hebben veroorzaakt, waren zij en vooral Dylys ervan overtuigd dat het deze keer wel zou gaan lukken en dat de volgende stap zou zijn het uittesten in het veld. Het echte werk dus. Maar eerst dit. Minutieus werden alle instrumenten ingesteld en het grote instrumentarium gekalibreerd. Het zag er op het enorme imitatiescherm naar uit dat deze keer alle lichtjes groen zouden blijven vertonen. Met de voor hem zo karakteristieke uitbundige armzwaai zette Dylys de generator aan die de energie zou moeten leveren om op zijn beurt de krachten op te wekken die de energie zou laten ontladen, juist tot aan het kritieke punt, waar al dit gebundelde vermogen zou worden opgevangen en als het ware worden verstopt in de grote glanzende bolvormige sfeer, die zij de Ignus hadden genoemd. Vervolgens zou het nog maar een kleine stap zijn om al die gebundelde – die gekooide – energie op ieder gewenst moment af te tappen en te gebruiken voor elk doeleinde dat daarvoor geschikt zou blijken te zijn. En daar wisten ze er wel een paar van. 

Langzaam zwol het geluid van de generator aan en aan en aan, totdat zij allemaal konden horen dat die op toeren was gekomen en ze konden gaan beginnen. Van elk observatiestation kregen zij achtereenvolgens de melding “groen” en ook op het grote scherm kwamen geen onvolkomenheden aan het licht. 

“Het is zover Dylys, laten we het beginnen”, zei Ignatia.

“Eindelijk”, was het enige wat haar zoon kon uitbrengen.

Phytius, de hoofdingenieur telde af.

“vijf – vier – drie – twee – een - start”

Op dat moment haalde hij de schakelaar over en vanaf dat moment volgde een imposante kettingreactie. Een héél klein beetje rechtstreeks via warmtewisselaars opgevangen energie van Vega, raasde via de grote versterkingsapparaten door de leidingen, maakte een enorme herrie alsof de donder duizendvoudig werd versterkt en kwam uiteindelijk in de Ignus terecht om daar rond en rond en rond te blijven draaien en te pulseren, schier tot in het oneindige. De bol bleef lange tijd schudden en schokken op zijn durabasalten sokkel. Enorme veelkleurige lichtflitsen zetten gedurende meer dan een uur de laboratoriumruimte in een gloed als was het de aurora borealis. Maar uiteindelijk kwam het heel geleidelijk allemaal tot rust. Gekooide energie, klaar om via de daarvoor gemaakte energiekranen te worden afgetapt.

Al die tijd bleef het scherm groen, en de meters bleven in hun “veilige”gebied. Eindelijk was het dan zover om te proberen via de eerste aftapkraan, die op een grote lamp was gericht, de wat vanaf dat moment ignus heette, aan te wenden voor het grote werk. 

Weer telde Phytius af. 

“vijf - vier – drie – twee – een - start”

Beheerst haalde hij de schakelaar over en ineens baadde het laboratorium in een schel wit licht. Een licht dat de roze/rode gloed van de atmosfeer volledig deed wegvagen. Gejuich steeg op en de blijdschap onder de aanwezigen was meer dan tastbaar.

“Victorie” schreeuwde Dylys met een wijds armgebaar. “Ik ga het onmiddellijk aan Gailan vertellen, die zal wel in zijn nopjes zijn”.

In de hooggelegen woonstede van Phila vergaderde Het Gezelschap der Verborgen Krachten over de ontstane situatie. Docilius was aan het woord.

“… En aldus zijn we tot de conclusie gekomen dat de modernen inderdaad hun project “Igna” van het experimentele stadium hebben overgeheveld naar de uitvoerende fase. Het wordt heel gevaarlijk allemaal, want zoals we allen weten is de zogenaamde gekooide energie in staat om uiteindelijk de hele planeet op te blazen. We hebben de onderzoeksresultaten vergeleken met de tabellen en het is onbegrijpelijk dat de modernen het gevaar niet zien of niet willen zien. We hebben gezien dat na de verkiezingen van de Raad der Wijzen Gailan is herkozen tot voorzitter, zodat het er op lijkt dat de modernen over een grote aanhang beschikken. Helaas moet worden gezegd dat onze pogingen om die denkgeesten van ter zake meer genuanceerde informatie te voorzien, heeft gefaald en dat we nu moeten beslissen over de te volgen strategie. We moeten koste wat kost voorkomen dat de ignus in het open veld wordt geïnstalleerd, en erger nog, wordt geactiveerd. De tektonische platen van ons continent zijn ten ene male ontoereikend om de krachten die ontstaan wanneer onverhoopt de “gekooide” energieën niet zo onschuldig blijken te zijn als wordt beweerd, te weerstaan. Suggesties?”

Suggesties waren er bitter weinig en die er waren bleken niet uitvoerbaar te zijn of ontoereikend, zodat het er naar uitzag dat de vergadering onverrichter zake zou moeten worden geschorst. Maar opeens rende de jonge Martellus de grote hal binnen waar het gezelschap zich had verzameld.

“De Ignus wordt nu bij het Sectorwoud opgesteld”, hijgde hij. “En ze zijn van plan om hem morgenmiddag nog aan te zetten ook!”.

“Dat is slecht nieuws” schrok Phila. En een kakofonie van opgewonden geluiden ontstond op hetzelfde moment. 

Voorzitter Docilius maakte daar na enige tijd een einde aan en toen iedereen tot bedaren was gekomen vervolgde hij: “Het heeft geen zin om allemaal door elkaar te gaan zitten praten. We moeten iets doen, want het ziet er naar uit dat we voor een voldongen feit worden geplaatst. Wie kan ik het woord geven.”

Glauca, de volwassen dochter van Phila vroeg en kreeg het woord.  

“Omdat we geen tijd meer lijken te krijgen voor een goed plan kan ik een suggestie doen om te proberen de gevolgen van de zich aandienende ramp te overleven.”

De energie van de aanwezigen veranderde door deze woorden van een afwachtende en gelaten houding naar één waarbij angst de boventoon voerde. Een angst voor het naderende onheil dat steeds nog veraf en abstract had geleken, maar dat nu meer en meer dreigende en zeer nabije proporties begon te krijgen.

“Angelika en ik” vervolgde Glauca, “zijn gedurende de tijd dat wij opgroeiden en in de leer waren op de School van de Oneindige Krachten van Vega, vaak wezen trekken in de Heilige Heuvels van Onesiphora, hier niet zo ver vandaan. Er is daar een grote granieten kloof die eindigt in een grote grot van Durabasalt. Als er één plaats is die veilig zou moeten zijn, is die het wel. Ik stel voor dat we zoveel mogelijk denkgeesten verzamelen en die daarheen leiden zodat zij allemaal de kans krijgen om dit dreigende toebedeelde lot te ontlopen. Er is daar ruimte genoeg en zoals wij allen weten nemen denkgeesten fysiek toch al sowieso niet al te veel ruimte in. Wat denken jullie ervan?” 

Koortsachtig verzamelden de leden van het Gezelschap zoveel mogelijk zielen die met hen mee wilden gaan naar de Grot van Onesiphora, om zo het mogelijke gevaar af te wachten, want het was wel duidelijk dat er geen mogelijkheid meer was om het kwaad af te wenden. De groep vluchtelingen groeide aanvankelijk langzaam aan, maar allengs werd het duidelijk dat er een grote menigte op weg was naar de Heilige Heuvels. Toen Docilius in de tempel aankwam om ook de priesteressen zover te krijgen mee te gaan, kreeg hij aanvankelijk alleen Hanani te spreken. 

“Luciana voelt zich niet wel”, antwoordde de priesteres op een vraag van Docilius.

“Niemand voelt zich prettig op dit moment”, was het antwoord. “Het is echt heel noodzakelijk dat we allemaal naar de Kloof gaan, en mogelijk zelfs in de grot onderduiken. We weten echt niet waar het allemaal toe zal leiden, maar we moeten voorbereid zijn op het ergste”.

Hanani knikte. “Ik zal haar roepen”.

Terwijl Docilius wachtte zag hij dat veelvormige zwevende klankschalen dissonanten voortbrachten. Dat was iets heel anders dan bij zijn vorige bezoeken. Maar de situatie was nu dan ook niet vergelijkbaar. In de verte hoorde hij iemand nerveus lachen. Het was Luciana die zich heel anders gedroeg dan hij van haar gewend was.

“Ha, ha, ha, zie je nou wel. Ik heb het je allemaal wel voorspeld. Het zou een grote ramp worden. En zie nu eens naar de chaos hier beneden in de stad. Iedereen is in rep en roer, en ik heb je nog wel gevraagd om Ignatia en de anderen op andere gedachten te brengen, en dan dat van jou en Phila, het moest er van komen”. Ze had duidelijk de grootste moeite om haar lachen de baas te worden.

“Ik weet het Luciana”, antwoordde Docilius met een zucht. “Het is een ramp, en we hebben helaas het tij niet kunnen keren. En je weet dat we dat hebben geprobeerd. Maar misschien valt het allemaal nog wel mee en blijken onze maatregelen om naar de kloof te gaan achteraf niet nodig te zijn geweest. Maar jullie moéten meekomen, want als er gebeurt wat we vrezen, zal er ook van de tempel weinig overblijven.

Inmiddels was Luciana tot bedaren gekomen. “Het spijt me Docilius, ik heb me alweer laten gaan in jouw aanwezigheid. We zullen komen, maar eerst zullen we bidden en de Bron vragen om deze beker aan ons voorbij te laten gaan”.

In de kloof werd het voller en voller. Het was maar goed dat denkgeesten ruimtelijk niet veel plaats innamen, anders zou het al gauw overvol zijn geworden. Angelika en Glauca hadden zich bij de ingang van de grot opgesteld en wezen alle zielen die aankwamen de weg. Het was niet moeilijk te vinden. De enorme zaal, met zijn prachtige kleuren zijn stenen en halfedelstenen, stalactieten en stalagmieten, bracht een karmijnrood, bijna purperen schijnsel voort en de fluistering van de door de zaal lopende meanderende beek zorgde ervoor dat de meesten ondanks zichzelf toch nog enigszins rustig werden. In de verte was nog juist de opening van de grot te zien waardoor het daglicht van Vega zichtbaar was.

Op een gegeven moment was het duidelijk dat iedereen die zich in veiligheid had willen en kunnen stellen binnen was en langzaam werden de vibraties van de aanwezigen rustiger en kalmer. Luciana had haar klankschalen meegebracht die inmiddels ook tot bedaren waren gekomen en hun lieflijke geluid vermengde zich met die van de beek die zich over de kleine getrapte watervalletjes een weg naar beneden zocht. Allemaal waren ze in afwachting van de dingen die komen gingen.

De tijd verstreek en er was een fantastisch moment, toen Vega zich gedurende geruime tijd precies in de lengterichting van de kloof bevond en een prachtige straal zuiver wit licht de achterwand van de grot in een uitmuntende gloed zette. De magische flikkeringen van de edelgesteenten verstrooiden een scala van schitteringen die de gehele grot in een veelkleurige magie omtoverden en die de aanwezigen met grote bewondering achterliet. Na ongeveer een kwart uur verdween geleidelijk de betovering van het moment en ze zagen dat de langzaam optrekkende bewolking Vega gestadig aan het gezicht onttrok. Het zwerk werd donkerder en duisterder en nu omvatte een onwaarschijnlijk somber gedempt licht de aanwezigen in de Grot van Onesiphora. De vibraties balden zich samen en een ellendig gevoel maakte zich geleidelijk van allen meester. In de verte hoorde men de donder en de atmosfeer in de grot werd steeds drukkender.

Opeens beseften ze dat het geen donder was dat gehoord werd. Ze voelden de grond trillen en vibreren, maar stapsgewijs werd het weer rustiger en begon een sprankje hoop zich van de denkgeesten meester te maken. Zou het dan toch meevallen? Maar dat was te eenvoudig gedacht. Daar begon het trillen opnieuw en de donder liet zich ook weer horen. Het zwol aan tot in een schijnbaar oneindig crescendo. De vibraties verwerden tot die van doodsangst en op het ultieme moment was er een enorme knal en ze zagen de ingang van de grot afbrokkelen. De afkalving zette zich door en grote brokken steen kwamen omlaag en omlaag en omlaag. Ze moesten in hun bangheid toezien dat de ingang kleiner en kleiner werd en tenslotte volledig werd gebarricadeerd. Ze waren in het duister van de grot levend begraven…

Dat was aeonen geleden. 

“Maar uiteindelijk zal de beroering afsterven en de eendracht in de Vijver der Eenheid zal weerkeren…”, had het orakel gezegd. En vandaag de dag is de planeet Silxtra weer in volle glorie als een feniks uit de as herrezen en woont daar een trots volk die zich opnieuw Silxtra noemt en gerekend kan worden tot een subbeschaving van Altea, de Atlantiërs. De leden van dit schitterende ras hebben een lichtbruine huid en kunnen worden omschreven als zoogdieren met een insectachtig uiterlijk. De planeet is lid van de Confederatie van Menselijken.