Buitenaards Plejadische dossiers Nada Kronieken Running Fox Homepagina Written with Love Written Speciaal

De

'Dag van de Zon.'

Hans Brockhuis

 

Het was vandaag een ‘Dag van de zon’. Dat gebeurde op deze planeet, afhankelijk van het jaargetijde, maar eens in de drie plaatselijke maanden. De bewoners waren er niet op gesteld en ze waren op een dag als deze dan ook niet zichtbaar. Erlinde, van de Aarde, die hier in opdracht van het Bureau voor Planeetgebonden Onderzoek de plaatselijke flora en fauna in het oog hield, vond het allemaal prachtig.

“Het leven is prettig zo”, mijmerde ze terwijl ze naar buiten tuurde. Je moest er wel weer helemaal aan wennen, na al die dagen van regen, vocht en kilte. Zij kon zich in de periode dat ze hier was, twee aardse jaren, maar weinig gelegenheden herinneren dat er een ‘Dag van de Zon’ was, zoals de plaatselijke bevolking het noemde. Meestal waren de luchten grauw en joegen er valse winden over de zee en over het land. Regelmatig kletterden er felle regenbuien tegen de ruiten van haar kleine hut die naast een verlaten vrijwel onbegroeid duin, in een laag dal was verscholen, anderhalve mijl verwijderd van de dichtstbijzijnde nederzetting.

Vanaf haar duintop had ze uitzicht over de soms rustige, maar meestal woelige oceaan, waarvan de golven dan weer in trage maar soms, wanneer de wind was opgestoken, in snelle brandinggolven op de rotsen van de lagune stukliepen om tenslotte te sterven op het natte koude zand van de glooiing van de eerste duinenrij.

Erlinde liep naar buiten en klom over de zeereep naar het strand, waar een groepje cipresachtige pijlbomen stonden. De zon scheen warm op haar huid. Ze was, zoals meestal, alleen. Er kwam hier bijna nooit iemand langs. Ze had wel radiocontact met Jerôme van het lab, bijna vijfhonderd mijl verderop in het bosrijke gedeelte van het ‘Eenzame continent’. En dan natuurlijk Ehpalumabarid, een autochtoon die ze kortweg Paul noemde omdat hij haar aan één van haar exen deed denken. Deze brave man was eigenlijk de enige dorpeling die zich nog wel eens in Erlinde’s hut vertoonde. Ze hadden dan lange gesprekken en hij vertelde haar dan over Mobg, zijn planeet, en zij verhaalde van de aarde.

Maar nu koesterde ze zich in de heerlijke zonnestralen en vergat alles om zich heen, alleen maar aan de zon denkend en de behaaglijke warmte daarvan voelend op haar blanke huid. In feite was deze zon niet veel meer dan wat op de aarde een waterig najaarszonnetje zou worden genoemd, maar hier telden andere normen. Het was bijna windstil, ook al een zeldzaamheid, maar de meeste wolken waren opgelost of over de in het oosten zichtbare bergrug weggetrokken. Het was na al die kou en al dat vocht in één woord heerlijk.

Toen ze hier nog maar pas was, was het haar erg moeilijk gevallen om zo weinig van de zon te kunnen zien, met alleen maar het dorre duinlandschap om zich heen. Behalve de alomtegenwoordige pijlbomen was er niet veel flora en dierenleven was ook erg schaars zodat ze zich aanvankelijk erg had verveeld. Maar langzamerhand was ze toch van deze planeet gaan houden, althans van deze uithoek waarop ze haar onderzoekingen verrichtte. Ze hield van haar kleine hut die eens in de dertig dagen met een wentelwiek vanuit het lab werd bevoorraad. Ze hield van deze eindeloze zee die er altijd anders uitzag, met steeds maar weer andere golven en kleurschakeringen op de lagune. Ze hield ook van de prachtige altijd voorbijtrekkende luchten die haar deden denken aan schilderijen van oude Hollandse meesters, thuis op aarde. En dan waren daar soms de enkele zonnestralen die, tussen de regenbuien door, het wolkendek konden breken en het strand dan omtoverden tot een schatkamer van kleuren. De horizon lag hier veel verder weg dan thuis, omdat Mobg ongeveer 25% groter was dan Terra. De zwaartekracht was daarom ook iets groter, maar dat deerde haar allang niet meer. Bovendien was de zuurstof hier veel rijker en dat hief het nadeel meer dan op.

Altijd, wanneer het werk het toeliet en ze op het duin naar het westen stond uit te kijken vond ze het steeds weer een boeiende film om naar deze machtige oceaan te kijken, met haar nukken en luimen en van tijd tot tijd haar goede buien. Ze wist dat deze wereldzee zich over duizenden en duizenden vierkante mijlen uitstrekte. Drie keer zo groot als de Grote Oceaan op aarde en plaatselijk meer dan twee keer zo diep. Aan de oostkant de nagenoeg eindeloze duinenrijen, begroeid met een soort helmgras, wat doornstruiken en de pijlbomen, tot zowat 30 mijl het binnenland in. Daarachter bevonden zich eerst de moerassen en daarna de pieken van de enorme bergketen die zich op een heldere dag als vandaag in al hun majesteit vertoonden.

Maar plots werd ze uit haar mijmering opgeschrikt door de schreeuw van een inheemse meeuw die samen met een vlucht soortgenoten aan Erlinde voorbijtrokken, op weg naar het zuiden. Ja, ze hield van dit troosteloze land, met ongeveer eens in het kwartaal de afwisseling van de zonneschijn die het vaak niet langer dan enkele uren uithield. Het was haar nog steeds een raadsel hoe de bewoners, waarvan er niet heel veel waren, zich in dit onherbergzame land in leven hielden. Eén van haar opdrachten was om daar achter te komen, maar anders dan wat vaagheden van ‘Paul’, had ze weinig kunnen ontdekken. Communicatie was toch, wanneer het wat technischer of ingewikkelder werd, een moeizame aangelegenheid. Ehpalumabarid’s Galactisch, of wat daar voor doorging bestond uit datgene wat hem door Erlinde was bijgebracht en wat de plaatselijke taal betreft, daarmee kon ze door de steeds wisselende klanken nauwelijks mee uit de voeten. Het werd tijd dat een linguïst zich daarmee zou gaan bemoeien. Behoorlijk frustrerend allemaal. Maar voor wat betreft de dagelijkse zaken, konden ze behoorlijk met elkaar overweg.

Terwijl ze dit allemaal lag te overdenken waren er vanuit de zee weer een paar wolkenbanken komen opzetten. Het was duidelijk dat deze ’Dag van de Zon’ weer ten einde liep. Erlinde luisterde naar de oceaan. Naar het ruisen van de branding die met het opsteken van de wind geleidelijk in hevigheid toenam. Langzaam slenterde ze weer naar boven, het duin op, naar haar hut. Het werd weer merkbaar kouder. Spoedig zou de lucht weer volledig bedekt zijn, zouden de regenvlagen weer tegen de ruiten kletteren en zou ze haar tabellen weer gaan bijhouden en dan zou ook ‘Paul’ wel weer langskomen. De winden zouden weer opsteken en het zou weer herfst zijn. Tijd voor Erlinde om zich opnieuw aan haar onderzoek te wijden, haar radiogesprekken te voeren en om soms één van de onderzoekers te ontvangen op diens zwerftocht door het Eenzame Continent. Tijd voor het immer doorgaande spel van winden en schaduwen, met de golven van de oceaan en met het kletteren op het dak en tegen de ruiten van haar cabine…

De ‘Dag van de Zon’ was ten einde!