Ochtendgloren

Van ochtendgloren tot schemering

Jill -Kramer Bryant
Vertaling: Hans Brockhuis

Go to Jill's blog by clicking here: http://wordpassion12.wix.com/jill-kramer


Op een avond in augustus, aan het einde van een rustige, buitengewone zomer, nam Victoria haar honden mee op een lange wandeling langs het strand. Verscheidene maanden waren gepasseerd sinds ze daar met Peter en Rose was geweest. Terwijl ze haar auto parkeerde, voelde ze zich ongemakkelijk. Toch was het een perfecte zomeravond, warm en windstil. De honden speelden in de kalme golven en ze wandelde helemaal naar het strandpaviljoen.

Ze ging zitten in één van de comfortabele stoelen op het terras, bestelde thee voor zichzelf en water voor de honden. Ze wachtte en keek naar de oranje zon die langzaam onderging in de bewegingloze zee. Plotseling voelde ze een hand op haar schouder, één die ze kende. Ze draaide zich om in haar stoel en daar stond Peter, onaangekondigd. Hoe hij had kunnen weten dat zij daar was, wist ze niet. Instinct. Ze voelde zijn verdriet en de blik van urgentie in zijn ogen. Na de gebruikelijke formaliteiten en beleefde vragen hoe ze het allebei maakten, stokte hun gesprek en na een poosje verlieten zij samen de strandtent en liepen terug over het strand. De schemering was bijna overgegaan in duisternis.

Peter nam haar gezicht in zijn handen. Zijn kus was ruw en hard op haar lippen, zijn handen scheurden haar T-shirt open. Hij was vastbesloten en toen ze in het zachte duinzand neerploften kwam hij snel bij haar binnen. Toen hij zich weer terugtrok voelde Victoria zich verward, beurs en kwaad over zijn arrogantie. Dit was niet de Peter die zij zo goed dacht te kennen. “Dit wilde je toch, nietwaar?” vroeg hij. Victoria wist niets te zeggen. Niet op die manier, dacht ze. Ze praatten nauwelijks toen zij naar hun wagens liepen. Haar honden waren duidelijk vermoeid en verveeld en wilden naar huis. Toen Victoria haar auto open wilde toen, nam Peter haar in haar armen. “Het spijt me, het lijkt steeds maar weer alsof ik je het meeste pijn doe, wanneer ik het meest van je hou”, zei hij. “Het is altijd zo geweest, alsof het lot ons altijd weer uit elkaar trekt”. Ze wist dat hij dat met zijn gehele hart meende, het kwam haar bekend voor en ze wist precies wat hij bedoelde.

Toen Peter wegreed had Victoria een voorgevoel van een definitief einde. Peter had zich wel erg vreemd gedragen. Nooit eerder, gedurende dit leven, had zich enige seksuele ondertoon in hun relatie voorgedaan, de tederheid was verdwenen, dit was het einde. Het probleem, dacht ze, was dat zij hem teveel liefhad en dit was niet de goede tijd noch de goede plaats daarvoor. Peter kon daar niet mee omgaan. Ze kon niet weten dat dit de laatste keer zou zijn dat ze hem in leven zag.

Toen ze het zomerhuis afsloot voor de herfst, wist Victoria dat het tijd was om te vertrekken. Ze wist dat ze hier heel lang niet zou terugkeren. Ze had het gedroomd, had zichzelf gezien als een oude dame die voorbij het huisje liep, met slechts haar herinneringen van hoe het was geweest, om haar te troosten. Victoria voelde zich niet goed, ze was moe, teruggetrokken en voelde zich alsof ze totaal geen energie meer had. Het was raar, ze voelde zich belabberd en ze had geen antwoorden. Ze had vele malen geprobeerd om met Peter in contact te komen, maar er kwam geen antwoord. Terwijl de laatste zomerdagen zich verloren in de naderende herfst, de bladeren verkleurden en de planten vergingen, beschreef dat precies hoe zij zich voelde. Ze begreep zijn stilte niet. Wist niet wat ze verkeerd had gedaan. Het teisterde ieder uur dat zij wakker was. Zelfs brieven of berichtjes brachten geen reactie teweeg en Elisabeth en Tony gaven geen commentaar. Victoria wist dat zij er ook niet om kon vragen.

Terwijl de herfst teloor ging, werd het tijd voor Kerstmis, maar voor het eerst in haar hele leven, werd Victoria niet opgenomen in de algemene opwinding en afwachting van de kersttijd. Ze wist dat het kwam door haar gemis van Peter.

Op een avond, volkomen onverwacht, ging de telefoon. Het was Elisabeth. Ze klonk behoorlijk verward. “Het gaat over Peter”, zei ze, “Je moet meteen komen!” Toen Victoria bij het ziekenhuis aankwam wist ze instinctief dat ze te laat was. Peter was dood.

Hun ontmoeting op het strand, en hun vrijpartij, heftig als het geweest was, was de laatste keer dat ze hem had gezien als de fysieke persoon die ze kende als Peter. Ze ging de verduisterde kamer binnen. Peter lag op het bed, zijn gelaat was bleek, zo wit en zo koud. Victoria voelde zich te ellendig om te huilen. Ze omhelsde Elisabeth en Tony, ze waren verbonden in hun verdriet.

Enkele dagen later stond Victoria aan de katheder bij Peters kist. De geur van alle bloemen maakte haar duizelig en slap. Met trillende handen keek ze zenuwachtig haar papieren na en schraapte haar keel. Er kwamen geen woorden. Ze keek op met haar door tranen gezwollen ogen en keek de kamer rond. Een zee van smart was alles wat ze kon zien, golvend en over haar heen spoelend. Zo veel mensen, zoveel verdriet, het overrompelde haar volledig. De begrafenisondernemer keek haar bemoedigend aan en knikte, alsof hij wilde zeggen: “begin maar, je kan het”. Victoria hoorde dat de ingang zachtjes openging en zich weer sloot. Laatkomers, dacht ze. Niemand keek om in hun zetels en ze realiseerde zich dat zij de enige was die Peter kon zien die langzaam op haar toekwam. De bekende glimlach, hetzelfde zuchtje wind. “Ik moet haast wel dromen”, dacht ze, “of ik ben flauwgevallen, één van de twee”. Ze voelde dat Peters vingers zich om de hare sloten. Iedereen keek naar haar. Langzaam maar zeker kwamen de woorden. Alles was mogelijk met Peter aan haar zijde.

Toen de muziek begon te spelen keek Elisabeth haar nauwlettend aan. Ze was duidelijk geroerd door de woorden die zij sprak, maar ze gaf er geen blijk van dat zij ook Peter kon zien die naast haar stond. Toen ze eindigde was iedereen in tranen. Zij en Peter hadden geweten dat het dit effect zou hebben, toen zij elkaar lang geleden hadden beloofd dat zij dit zouden uitspreken wanneer de ander overging. Het was het verhaal over al hun gezamenlijke reizen, elke keer dat zij weer de regenboog brug van kleuren waren overgestoken. Het vertelde alles over hun beiden; zij hadden het vele malen eerder gedaan. Twee zielen met elkaar verbonden door de eeuwigheid der tijden, het verleden, het heden, de toekomst.

Victoria stapte omlaag en ging terug naar haar plaats. Toen ze zat voelde ze de eerste trilling van leven in haar baarmoeder. Het was Peter’s gift en erfenis voor haar, door hiermee de bloedlijn door te zetten. Op dat moment, wist ze, had ze hem vergeven. Ze dacht terug naar de avond op het strand en ze wist waarom hij zo ‘anders’ was geweest. De fysieke Peter was weggegaan, maar Victoria voelde zich, vreemd genoeg, getroost dat ze hem altijd in haar dromen kon terugvinden. Hij maakte deel van haar uit, was dat altijd geweest en zou het altijd zijn totdat zij elkaar, op een goede dag, zouden weervinden. Hìj was het kwetsbare blauw van Orion, zìj het vale roze van Angelica. Iedere dag zouden zij zich openen bij het ochtendgloren en weer sluiten in de schemering, net zolang totdat zij tezamen de bleek violette vlam van Eenheid zouden worden.