Hofwijck

'Hofwijck'

Donata de Pondtboter

januari 2008


Hans Brockhuis

http://de-wit.net/bronnen/brussel-st-nicolaes-vondelingen-1724-1794.pdf

 



“Vrouwe, ge krijgt ‘n dochter!” Pieter Van Aalst stormde zijn kleine huis binnen. Zijn vrouw Milda, altijd de nuchterheid zelve, keek hoofdschuddend op. Ze was in hun kleine keuken bezig de boontjes af te halen en dacht vertwijfeld. “Daar hebt ge‘m weer.” “Allez, Pieter, ge zijt van Hekelgem, niet van Zottegem. Ge weet hoe ‘t zit!”.

Pieter Van Aalst, een godvruchtig mens, en zijn vrouw Milda woonden nu al drie jaar in Sint Jans-Molenbeek, één van de gemeenten die samen Brussel vormen. Ze waren getrouwd en vanuit de omgeving van Aalst naar Brussel getrokken in de hoop dat de levensomstandigheden daar beter zouden zijn dan thuis. In de praktijk was dat nogal tegengevallen want hier hadden zij het ook niet al te breed. Pieter had een baantje gevonden als hulpkoster in de St. Nikolaaskerk, vlak bij de Grote Markt en Milda naaide, heel verdienstelijk, kleedjes voor de dochters van de rijkelui over de Willebroekse Vaart.

“Zet u neer, Pieter. Ge krijgt ‘n kom thee en ga dan maar eens rustig vertellen wat er allemaal gaande is.” Pieter was, nagestaard door de dienstmeiden op straat, de hele weg van de kerk naar zijn huis komen rennen omdat hij te opgewonden was om rustig te lopen. Hij wilde het grote nieuws zo snel mogelijk met zijn geliefde Milda delen. Het was dan ook niet niks wat hij te vertellen had. Milda en hij waren al die tijd nog steeds niet gezegend met kinderen en dat was voor beiden een reden van zorg en gaf hun het akelige gevoel niet compleet te zijn. Bovendien was meneer Pastoor al eens langsgekomen met de vraag of er in’t kort nog wat te dopen viel.

Die morgen vroeg, toen hij de deur van de sacristie wilde ontsluiten lag er een pakketje op de stoep. Het was in gele katoenen doeken gewikkeld en woog bijna niets toen hij het oppakte. Een enkel pond, niet veel meer, had hij gedacht. Hij nam het mee naar binnen en legde het in het reserve doopvont om eerst de lichten te ontsteken. Ineens begon het pakketje te schreien. Pieter schrok zich een ongeluk. De Franse kapelaan Thomas kwam op het geluid af. “Qu’est que c’est?” Hij wikkelde de doeken af en een minuscuul en besmeurd naakt meisje kwam eruit tevoorschijn. “Une enfant trouvée, de nouveau.” Zei hij zuchtend en met rode konen. ”Alerte monsieur le curé immédiatement!”

Pieter deed wat hem werd gevraagd. De pastoor kwam, liet Pieter het kleine meisje in het doopvont schoonmaken en weer in de doeken wikkelen en ging met de kapelaan in conclaaf. Na enige tijd wendde hij zich weer tot Pieter. “Pieter, ik heb een voorstel. Ga rap naar uw vrouw, vertel haar van het kind, dat we Donata zullen noemen, wat ‘door God gegeven’ betekent en verzin zelf een achternaam. Het moet zo rap mogelijk worden gedoopt want deze propere ziel mag niet teloor gaan. Vraag haar of zij het wil grootbrengen want”, zo zei hij zonder omwegen, “ge weet dat de kans groot is dat gullie kinderloos zullen blijven.”

Opgewonden spraken Pieter en zijn eega over deze bijzondere aangelegenheid. Ze hoefden niet lang na te denken of zij het wel in huis wilden nemen. Langer werd er gesproken over een achternaam. Ze wisten dat het niet Van Aalst kon heten; in ieder geval niet totdat het officieel geadopteerd zou kunnen worden. Maar wat dan wel? Tenslotte, omdat de St. Nicolaaskerk gelegen was aan de boterstraat en het kindje zo licht en teder aanvoelde besloten zij het Pondtboter te noemen.

~*~*~*~

“Lieve God, wij bidden U, Donata De Pondtboter, geboren te Sint Jans-Molenbeek op 19 november 1777, op te nemen in Uw liefdevolle armen, opdat ook dit kind U zal mogen dienen. Wilt U geven, dat wij als parochie daar omheen staan om zo deze liefdevolle ouders te helpen en te stimuleren om ook dit schone wezen de gelegenheid te geven om U te leren kennen in al Uw grootsheid. Dat vragen wij in de naam van den Vader, de Zoon en den heiligen Geest, Amen”

De doopplechtigheid was sober en eenvoudig. Meneer pastoor deed zelf de dienst en de kapelanen Thomas en Leyssens waren getuige. Milda had schone kleedjes gemaakt en van een afgedragen trouwjapon een mooi doopkleed. Donata kraaide even toen het doopwater over haar hoofdje werd uitgegoten maar sliep verder door de hele plechtigheid heen. Ze leek tevreden met wat er om zich heen gebeurde en was zich van niets bewust.

Donata groeide gelukkig op in het gezin van Pieter en Milda. Zij was daar heel erg welkom en Milda deed haar best om het kleine meisje, ondanks hun krappe beurs, een goede opvoeding te geven. Als baby huilde ze zelden en leek blij te zijn met haar aangenomen ouders. Moeder Milda voelde altijd precies aan waar de noden van het kleine meisje lagen en handelde daarnaar, zonder haar over het paard te tillen. Pieter was stapelgek op de kleine meid, verwende haar waar hij maar kon en samen met Milda zorgden zij ervoor dat zij voorbeeldig opgroeide. Ze werd steeds langer, had prachtige sluike blonde haren en was populair in de klas van meester Bellinkx.

Maar al vroeg begon Donata zich vragen te stellen. Wat doe ik hier, waar kom ik vandaan en wat is de zin van het leven. Als jong meisje bleek het dat zij in staat was gedachten van andere mensen en van overleden zielen op te pikken. Bovendien zag zij vaak vreemde lichtbollen om zich heen. Aanvankelijk verwarde haar dat nogal want als zij het hierover met haar vriendinnen van school wilde hebben werd ze uitgelachen en dus hield zij het verder maar voor zich en beperkte zich tot wat zij denkpraten noemde. Met vader Pieter deelde zij dit grote geheim wat hun beiden een voortdurend samenzweerderig gevoel bezorgde. Daarnaast leerde zij tekenen en schilderen en maakte al vroeg de mooiste kunstwerken.

Zo sprak zij regelmatig met de ziel van haar broer, Armand, één van de in de baarmoeder overleden kinderen van moeder Milda. Ook wist zij hoe zij was geboren. In het donker van een onverlichte kelder en zonder dokter of vroedvrouw om haar op te vangen. Ze wist wie haar echte moeder was, kwam haar – een schuwe magere dienstbode die Clara Audenaert heette – zo nu en dan tegen maar kwam er niet toe haar aan te spreken.

Behalve dat het in het Brussel van die tijd sociaal gesproken van haar werd verwacht, was Donata buitengewoon beleefd, voorkomend en behulpzaam naar anderen. Deze voorbeeldige empathie vertoonde ze niet alleen om zichzelf te beschermen, maar ook bood het mogelijkheden om haar medemens op een subtiele manier te wijzen op eventuele onvolkomenheden. Door haar gave zag, hoorde, voelde en wist ze allerlei dingen die ze normaal gesproken niet zou kunnen weten. Maar met die kennis ging ze altijd uiterst integer en liefdevol om. Intuïtief voelde ze aan hoe met de mensen om te gaan, om die kennis te gebruiken zonder haar liefde voor de ander te verloochenen.

~*~*~*~

Donata vertelt.

“Toen ik groter werd kwam ik te werken in een stalhouderij waar ik voor de paarden moest zorgen. Al gauw kreeg ik een intense band met enkele van de paarden. Ik verwende ze met carottes en verse stro, leerde paardrijden en wist al snel te luisteren naar de signalen die de paarden mij gaven. Op die manier wist ik altijd precies wat er in hun hoofd gaande was en er ook wat ik eraan kon doen. Dat alles tot groot plezier van mijn patron die mij op handen droeg en me mede daardoor een goed loon gaf.”

“Eén van de paarden, Laurette, werd ziek. De veearts zei dat de schimmel oud en ziek was en dat het waarschijnlijk niet lang meer zou duren. Enkele dagen later was het dier op de grond gaan liggen. Ik ging tegen haar aanzitten, sprak troostende woorden en gaf haar wat lekkers. Laurette likte het zout van mijn hand en legde toen het moede hoofd neer. Ik zag haar geest wegvliegen, legde mijn hoofd tegen haar hoofd en huilde hete tranen terwijl het in de verte donderde. Die nacht droomde ik dat zij terug was en reden we eindeloos door de bossen. Zo nam zij afscheid van mij.”

“Na dat voorval hernoemde Roger, de patron, een trots veulen, waarmee ik bevriend was geraakt naar mij. Ik was héél fier en zorgde goed voor het dier dat opgroeide tot een trotse merrie. Als ik haar zo fier voor de koets van de baron zag stappen was ik voldaan en content en ik omhelsde haar als zij weer terugkwam in de stal om verzorgd te worden.”

“Op een goeie dag mocht ik mee in het gevolg van baron Jean Louis op een diplomatieke reis naar ‘s-Gravenhage in Noord Nederland. Het was de bedoeling dat ik Donata en de andere paarden onderweg zou verzorgen. ‘s-Avonds, in de herberg, ergens onderweg in de republiek, werd ik aan de baron voorgesteld. Ik had hem direct graag maar merkte dat hij een enorm verlies had meegemaakt en kon zien dat hij, ondanks zijn jovialiteit, een masker droeg. Toch wist ik dat hij op dezelfde manier over de dingen nadacht als ik gewend was en probeerde dat op een tactvolle manier met hem te delen.”

“Wij praatten tot diep in de nacht. Hij worstelde met het verlies van zijn enige dochter, die enkele maanden eerder, tijdens een reis naar Antwerpen, in de Schelde was verdronken. Het leek wel of hij in mij een soort surrogaat dochter zag. Ik probeerde hem energie te geven en merkte dat dit ook wel lukte. Ik kon zien dat Lieve, zijn dochter glimlachend achter hem stond. Ze denkpraatte met mij en zei me dat ze wilde dat haar vader niet zo verdrietig zou zijn en haar niet zo zou vasthouden. Voorzichtig probeerde ik dat aan de baron uit te leggen, maar zijn ogen bleven dof. Ondanks zijn openheid geloofde hij me niet. Hij had er teveel moeite mee om zijn dochter los te laten en ik kon zijn pijn bijna tastbaar voelen.”
“De volgende dag kwamen we aan in ‘s-Gravenhage. De baron en zijn gevolg werd ingekwartierd in het huis Hofwijck in Rijswijk, een voorplaats van die stad. De paarden overnachtten, net als ik, in gehuurde stallen een eindje verderop. Daar leerde ik Claes kennen, de zoon van de stalhouder. Claes was een hele bijzondere jongen. Het was evident dat hij, vanaf het eerste moment dat hij mij zag, tot over zijn oren verliefd was op mij. Hoewel het een aantrekkelijke jongeman was liet ik natuurlijk mijn reserves blijken. Toch was hij niet alleen aantrekkelijk. Hij was ook nog intelligent en het leek er al gauw op dat hij, hoewel hij het zelf niet wist, dezelfde ‘talenten’ had als ik. Als wij in de stal bezig waren en met elkaar spraken over de verzorging van de paarden, sprak zijn ziel over hele andere dingen met de mijne. Het merkwaardige was dat hij daar bewust geen idee van leek te hebben. Hij hield zich veeleer bezig met de vraag hoe met mij in het hooi te kruipen.”

“Dat was een ingewikkelde toestand. Toen het hem uiteindelijk lukte en ik mij liet verleiden was er de merkwaardige situatie dat hij bewust zijn best deed om vooral zichzelf tegemoet te komen, maar dat zijn ziel met die van mij sprak over de stand van de sterren en wat dat met ons – als mens - deed. Het was duidelijk dat hij op dat moment door Mars werd beïnvloed, terwijl bij mij Venus aan de horizon stond. Omdat ik niet veel van astrologie afweet is de zin daarvan – althans voor mij – niet helemaal duidelijk.”

“Van meet af aan was het voor mij helder dat Claes niet meer dan een vluchtig avontuur was. Het is goed dat de baron nooit lucht kreeg van mijn, laten we het uitvluchten met Claes noemen, anders zou hij mij ogenblikkelijk de deur hebben gewezen. Na enkele dagen gingen wij weer terug naar Brussel en werd het hoofdstuk Claes voorgoed gesloten.”

“Later bleek toch dat ‘s-Gravenhage een snaar bij mij had geraakt en op de een of andere manier gebeurde het enkele jaren later dat ik in het huwelijk trad met een Ollander die mij naar zijn woonplaats meenam waar hij werkte in de hofhouding van stadhouder Willem V. Merkwaardig hoe zoiets kan lopen. Een Brusselse vondelinge die uiteindelijk belandt als hofdame aan een buitenlands hof. Niet slecht voor een pondje boter.”