Written with Love Written Speciaal

Elfjes

Elfjes; foto: Christian Booms

Elfjes, bosnimfen en deva's

© 2010 - Roely Anema


Heel soms, héél soms tref je als mens het onverwachte geluk een elfje of een bosnimf te ontdekken. Elfjes en bosnimfen laten zich namelijk niet zomaar zien.

Ooit, heel lang geleden wist ik nog niet zo heel veel van mensen.
Als natuurwezen had ik me vooral door bomen, struiken en planten heen bewogen. Zo nodig verbond ik me voor een periode met het water.
In die tijd was het voor mij heel vanzelfsprekend dat ik samenwerkte met de elfjes en bosnimfen. Ons contact was geruisloos en licht. Onze taak was niet gering, er was vaak veel werk te verzetten. Soms leefde ik eeuwen achtereen als ondersteunende vrouwelijke kracht van de Beuk, waarna het maar zo kon gebeuren dat ik me tijdens een volgende periode langs de paddenpoel voortbewoog.
Ondanks deze variaties in mijn bestaan wisten de elfjes en bosnimfen me altijd weer terug te vinden. Geruisloos waren onze ontmoetingen. Geruisloos en onvoorwaardelijk in diepe liefde.
Zo heel af en toe passeerden er mensen die zich aangeraakt voelden door onze aanwezigheid.
Een enkele keer zagen mensen ons ook, spraken zelfs met ons.
Te leven en te werken als een deva met deze elfjes en bosnimfen was het heerlijkste wat een natuurwezen maar kan verlangen.

Toch kwam er een dag dat het door me heen ging: ”hoe zou het zijn als wind door de natuur heen te waaien? Hoe zou het zijn om de elfjes en bosnimfen samen met de blaadjes en de vogels op mijn windkracht te verplaatsen? Hoe zou het zijn om samen te werken met de wolken?”
Het liet me niet meer los, voor mijn gevoel kwam deze vraag voort uit nieuwe prikkelende ontwikkelingen in, op en boven de aarde. Ik besloot mijn vraag voor te leggen aan het opperwezen.
Het opperwezen luisterde aandachtig en zei me terug te gaan naar de Eik waar ik me al een aantal eeuwen over had ontfermd. Het opperwezen had dezelfde prikkelende ontwikkelingen vernomen en wilde in alle rust tot een besluit komen hoe wij als natuurwezens hierin iets zouden kunnen betekenen.
Er ging een lange periode overheen wat voor ons een spannende tijd was. Hoe zou het er voor ons uit gaan zien? Zou ik als enige een andere natuurverschijning gaan worden? Of zou het opperwezen  andere plannen hebben?

Eindelijk brak het moment aan dat hij ons allen toesprak.
Die dag veranderde voor een aantal van ons, onze deelname aan het leven, totaal.
Het was voor sommigen van ons een ware shock te horen dat we gedurende de volgende ontwikkelingsperiode als mens op aarde door zouden gaan brengen!
Als mens! Terwijl we ons nooit eerder werkelijk verdiept hadden in het mens-zijn. Simpelweg omdat we al onze tijd actief waren geweest in het herstellen van de natuur die steeds weer geleden had onder de activiteiten van de mensen.
Wat had ik een spijt van mijn vraag om een periode wind te mogen zijn!

Langzaam aan verdwenen er een aantal elfjes en bosnimfen om zich voor te bereiden op een mensen leven. Mèt mij werden er nog elf deva’s aangewezen om hun werk voor de aarde voort te zetten in mensengedaante. Allen kregen we de opdracht ons in te zetten voor plant en/of dier. Ieder kreeg de vrijheid om hier op geheel eigen wijze invulling aan te geven.

Wat viel het leven als mens me lange tijd zwaar. Mijn herinneringen aan mijn deva verleden vervaagde geleidelijk. Ik kreeg namelijk, om het me enigszins makkelijker te maken, herinneringen mee aan verschillende mensen levens. Toch werd het er daardoor niet eenvoudiger op.
Wat zwierf ik als mens toch graag door het bos, wat hield ik toch ongelofelijk veel van bergen, van heidevelden, van open vlakten, van de zee en de duinen. Van machtige grote bomen, van prachtige veelkleurige bloemen. Van ál die schitterende dieren. Eigenlijk laaide in die gebieden vanuit mijn onderbewuste de deva steeds weer krachtig in me op.
Oh, wat heb ik als mens vaak geroepen: ”hierna doe ik niks meer, wil ik alleen nog maar wind zijn of anders een lieveheersbeestje!”

Ik was wel zoveel aan het ploeteren met mijn mens-zijn dat ik heel lang geen contact meer had met de elfjes en bosnimfen die nog steeds in hun eigen gedaante actief aanwezig waren. Net zo min als dat ik me nog bewust was van mijn opdracht als deva.
Het enige wat me herinnerde aan de oorspronkelijke natuurlijkheid  onder de mensen waren het kindervolk en de mensen die het kind in zichzelf nog lieten spreken. Het vertroostte en verzachtte mijn mens-zijn.

Na verloop van jaren kon ik m’n overtuiging dat ik als mens driehonderdvijfenzestig jaar zou worden eindelijk los laten. Eindelijk raakte ik gewend aan het feit dat ik geen deva zonder lichaam meer was maar mens. Ook een natuurwezen, maar dan één met een eigen altijd tastbaar aanwezig omhulsel. Ik kwam er achter dat mensen niet zo lang in dezelfde gedaante actief  zijn voor de aarde.
Ik kreeg weer contact met mijn oude vertrouwde maatjes, de elfjes, de bosnimfen en andere natuurwezens. Dan vertelde ik ze over mijn ervaringen of liep gewoon lekker tussen ze door tijdens één van de wandelingen met de hond.

Wat ik nog niet had kunnen ontdekken was, waar toch de andere deva’s, elfjes en bosnimfen gebleven waren die ook een mensen leven zouden gaan leiden. Hoe zou ik ze toch nog kunnen herkennen nu ze als mens onder de mensen waren.
Waar zou ik op moeten letten? Op hun gedrag? Net zo ploeterend met hun mens zijn? Of altijd maar verlangend actief in de bossen? Op zee? In de bergen? Net zo’n voorliefde voor planten in nood? Voor dieren? Kinderen? Zou het zoeken naar onvoorwaardelijkheid, naar dé liefde ook zo’n grote rol bij hen spelen?
Ergens tijdens mijn zoektocht heb ik besloten de hoop los te laten één van hen nog weer te ontmoeten. Ooit ooit, wist ik, zou ik ze weer tegen gaan komen en wie weet zouden we dan gezamenlijk nog éénmaal terug komen als wind.
Ik genoot van mijn leven wat zich inmiddels afspeelde in een prachtig natuurlijk gebied. Waar vele eeuwenoude bomen staan. Waar elfjes en bosnimfen met liefde en plezier vertoeven.

Ongekend groot was dan ook mijn vreugde toen ik op een mooie dag een paar prachtige foto’s te zien kreeg waarop schitterend de verschillende natuurlijke kleuren van de bladeren in verschillende bomen afgebeeld staan. Zo helder, zo prachtig de natuurlijke harmonie weergevend, de fragiliteit en kracht.
Tranen liepen mij over de wangen door deze overduidelijke herkenning. Ik wist het heel zeker, deze foto’s waren gemaakt door één van de elfjes waar ik zo héél erg lang als deva zonder lichaam mee opgetrokken had.
En nu?
Een vrouwelijk mens zijn? Een eigen lichaam hebben?

Samenleven met een elfje in een mannenlichaam is een ongekend prikkelende ontwikkeling door de onvoorwaardelijke liefde die we allebei als herinnering nog in ons dragen.