Written with Love Written Speciaal

Het verhaal van de twee handen

 

Marjo Dohmen


Nacht.
’t Was nacht.
Een nacht als vele andere en toch een andere nacht.
En op het plein, naast het huis, stonden de acacia’s.
Roerloos, als wilden zij de sterren die aan de takken hingen, niet verliezen.
En in de verte die geen verte was, aan een hemel die geen hemel was, hing bewegingloos de maan.
En alles was rust.
En in het huis naast het plein, in de kamer naast de acacia’s, zat de vrouw in stilte.
In haar stilte die tevens de stilte was van zovele anderen.
En ze hield het hoofd geheven, het lichaam recht en roerloos, de handen gevouwen in haar schoot.
En haar hoofd was in stilte, haar lichaam was in stilte, haar handen waren in stilte.
Maar er was geen stilte in haar.
En alles was onrust.
En in haar stilte, die tevens de stilte was van zovele anderen, begonnen haar handen, als maakten zij niet langer deel uit van haar, een eigen leven te leiden.

En de rechterhand rees omhoog, rekte zich uit en keek zelfvoldaan om zich heen.
En de linkerhand bewoog heel even en bleef dan ineengedoken liggen.
En de rechterhand zag de linker, fronste de wenkbrauwen, tikte de ander op de schouder en zei:
“Hé, jij daar, wie ben je en waarom lig je daar zo?
Ik ben Rechterhand en ik ben tevreden en dat is te zien.
En wie ben jij? “
En de linkerhand, als kwam hij van heel ver, tilde het hoofd omhoog en zei met ogen op oneindig:
“Dag, neem me niet kwalijk.
Ik ben Linkerhand en ik heb verdriet.”
“Wat verdriet”, zei Rechterhand, “wie heeft er nu nog verdriet?
Weet je dan niet dat je zelf kunt bepalen of je verdriet hebt of niet?
Weet je dan niet dat verdriet in je hoofd ontstaat?
Dat jij door je denken kunt bepalen wat je voelt.
Weet jij dat dan niet?”
“Neen”, zei Linkerhand, “dat weet ik niet.
Ik weet niets, ik voel alleen maar.
En ik heb verdriet en pijn.”
“Pijn! Ook dat nog”, zei Rechterhand.
“Dat mankeerde er nog maar aan.
Zie me dat daar liggen.
Eén hoopje ellende.
Wat een geluk dat ik niet voel en alleen maar denk!
Zou jij ook wat meer moeten doen, Linkerhand.”
“O”, zei Linkerhand, “wat weet jij veel.
Maar zeg me, als ik het verdriet en de pijn niet meer voelen kan, hoe kan ik dan ervaren wat vreugde is, wat gebeurt er dan met mijn geluk?”
“Jij met je vreugde”, zei Rechterhand. “Leef als ik, zorgeloos, tevreden! Niets verstoort mijn evenwicht als ik dat niet wil. Maar jij, jij haalt je toch een hoop ellende op je nek, zeg!”
“Ja, maar”, zei Linkerhand, “als jij alleen maar denkt en niet voelt, hoe kun jij dan ervaren wat liefde is?”
“Daar was ik al bang voor”, zei Rechterhand, “dat je daarover zou beginnen.
Dat gezeur over liefde.
Wat brengt het op?
Niets!
Alleen pijn en verdriet, aan jou te zien.
Zal ik jou eens vertellen wat liefde is?
Liefde is angst, onrust, onzekerheid.
Je wilt bezitten, altijd samen zijn, je bent bang om te verliezen en ga zo maar door.
En daar heb ik geen zin in!”
“Neen”, zei Linkerhand, “wat jij liefde noemt is geen liefde, dat is eigenliefde.
Liefde is houden van en los kunnen laten.
En zelfs, als het nodig is, afstand kunnen doen.
Omdat het geluk van de ander je meer waard is dan het jouwe.
Liefde is omvatten met je gedachten, omarmen met je ogen en je verbonden weten ook al ben je nog zo ver van elkaar.
En warmte, heel veel warmte, dat is liefde.”
“Hm, mooie praatjes verkoop jij”, zei Rechterhand.
“Neen hoor, dat zal mij niet gebeuren.
Zo ver mijn verstand het toelaat, laat ik de liefde toe.
Ik heb geen zin om aan scherven te vallen.”
“Ja, maar”, zei Linkerhand, “als jij de liefde niet kent, hoe kun jij dan leven?”
“Ik leef anders goed genoeg zeg”, zei Rechterhand, “kijk, kijk naar me en zie hoe ik leef, zie je?”
“Neen”, zei Linkerhand, “jij leeft niet, jij overleeft.”
“Wel, wel, wel, hoor me daar die filosoof eens aan”, zei Rechterhand.
“Ik overleef, oké, maar jij, jij gaat kapot van het leven!”
“O, neen”, zei Linkerhand, “zo is het niet.
Ik leef doordat ik voel en ik voel omdat ik leef.
En al trekt het verdriet me uit elkaar en haalt de pijn mijn lichaam leeg, toch verkies ik te voelen.
Omdat ik niet zonder de vreugde en de warmte kan.
En al val ik door eenzaamheid in duizend stukken uit elkaar, dan wacht ik tot het leven me weer lijmen zal.
En als het leven me nog niet lijmt, weet ik dat het nodig is nog even scherven te zijn.
Omdat, als er geen scherven waren, er ook geen geheel kon zijn.
Omdat, als het verdriet er niet was, de vreugde ook niet kon bestaan.
En als de eenzaamheid en de pijn er niet waren, was er ook geen warmte, geen liefde.
En als de liefde er niet was, was er geen leven.
Omdat leven liefde is en liefde leven.
En leven is alles: vreugde, geluk, pijn, verdriet, verbittering, mededogen, goed en kwaad, zachtheid, wanhoop en vertrouwen.
Leven is alles.
Zoals ook de liefde alles is.”
En Linkerhand zweeg.
En Rechterhand sloeg met verbazing gade hoe die kleine, onzekere Linkerhand oprees uit zichzelf, zich openvouwde en moeiteloos overgaf aan alles wat was.
En iets van ontzag kwam over hem en hij zei:
“Zeg, Linkerhand, jij bent toch zo stom nog niet.
Misschien kunnen we van elkaar nog iets leren.
Kom, laten we de handen in elkaar slaan en proberen er samen iets van te maken.”
En hij hief zijn hand omhoog om haar met volle kracht te doen neerkomen in die van Linkerhand.
Maar toen hij zag hoe Linkerhand bereidwillig zijn hand openhield om die van de ander te ontvangen, werd hij heel stil en begreep.
En hij boog het hoofd, bracht zijn hand in zijn schoot, opende haar en wachtte.
En Linkerhand sloeg niet maar glimlachte en legde zijn hand open in die van de ander.
En zo vormden rechterhand en linkerhand samen een schaal om te kunnen ontvangen wat het leven te geven heeft.

Nacht.
’t Was nacht.
Een nacht als vele andere en toch een andere nacht.
En ze hield het hoofd geheven, het lichaam recht en roerloos, de handen gevouwen in haar schoot.
En alles was stilte.
En alles, alles was rust.