Written with Love Written Speciaal

Klaproos

De klaproos en de steen

Marjo Dohmen

juni 2005


Ergens, aan de rand van een bos, gemaakt van eikenbomen en van eeuwigheid, stond een grote grijze steen. Roerloos in alle seizoenen, onaangedaan door alles wat er om hem heen gebeurde. Niemand wist hoe hij daar gekomen was of wanneer; hoe lang geleden. Ook de steen was het vergeten. Het was alsof hij er altijd was geweest.

Vogels rustten op zijn stille schouders, vlinders dartelden om zijn stenen hoofd en aan zijn voeten bewoog de aarde, als vlugge salamanders een plekje zochten in de zon. En in de verte glansden zwaar de velden, zwanger van graan en van vruchtbaarheid.

Soms, heel soms kwam er een mens voorbij, en vertelde zijn verhalen aan de steen. Over alle dingen die gebeurden, over liefde en verdriet, over leven en dood. Of de mens vertelde van zijn dromen en hoe graag hij ze waar wilde maken, en hij vroeg aan de steen hoe hij dat moest doen.

De steen luisterde, verroerde zich niet en luisterde. En ook al werd de mens heel stil, even roerloos als de steen, even onaangedaan, hij kreeg geen antwoord van de steen. Want de steen zei niets, bleef roerloos en zwijgzaam, omdat hij het antwoord niet wist. Hij had geen recht van spreken.

Hij was niet gelukkig, de steen, hij was ook niet ongelukkig. Hij was.

Op een morgen, terwijl gesponnen daglicht over de velden schoof op weg naar de zon, voelde de steen een licht verlangen naar kleur. Hij vond zichzelf saai en oud geworden, zo ontzettend kleurloos, zo grijs. Hij was niet meer tevreden. Hij vroeg aan Moeder Aarde om hem een kleur te geven, hij vroeg het aan vader zon, aan de bomen, aan het veld. Hij vroeg het ook aan de wolken en aan de wind. Aan ieder stofje in de lucht vroeg hij: “Geef me een kleur van vreugde, van liefde, van geluk, van leven.” Hij geloofde in de goedheid van Moeder Aarde, in de wijsheid van vader zon, in de vrijgevigheid van wind en wolken.

Hij wist dat hij zou krijgen wat hij vroeg, als hij er maar genoeg naar verlangde en er voldoende in geloofde. Zijn hunkering naar kleur werd groter en groter, en hij werd steeds droeviger, steeds meer ongelukkig. Hij voelde de vogels niet meer, hij zag de vlinders niet, noch de salamanders, hij was zich niet langer bewust van de seizoenen. Hij kende alleen nog zijn gemis, zijn hunkering, zijn grijze uitzichtloze bestaan.

Zo gingen de dagen voorbij, vervuld van hoop, verlangen en droefheid, in het vage weten van vervulling.

Maar op een vroege morgen in mei, terwijl de vogels op zijn schouders rustten en de wolken speelden met de wind, bewoog de aarde aan de voeten van de steen. Het waren geen salamanders, neen, het was een kleine bloem, diep in zichzelf verborgen, die gekruld als een kwetsbaar vraagteken uit de vochtige aarde tevoorschijn kwam. Ze wreef de slaap uit haar ogen, rekte haar rozige blaadjes uit en keek met verbazing naar de grote steen, die als een reusachtige grijze muur haar wereld begrensde.

De steen, eerst onbewogen als vanouds, viel van verbazing bijna omver toen hij de lichtende kleuren van de bloemblaadjes zag. “Dat is mijn kleur”, riep hij, “dat is het. Zo wil ik worden, zo wil ik zijn. Moeder Aarde, vader zon, broeder boom, wolken en wind, ik heb het gevonden, dit is het, dit is mijn kleur!”

De kleine klaproos trilde van de schrik en begreep niet waarom de grote grijze steen zo uitzinnig was. Ze keek met ontzag naar hem en vroeg: “Dag steen, waarom roep je zo hard? Wat is er met je?”

En de steen antwoordde: “Ik ben blij dat ik je gevonden heb kleine bloem, want jij bent precies van die kleur gemaakt, die ik altijd al wilde hebben. Geef je kleur aan mij, alsjeblieft, en ik zal de gelukkigste steen op aarde zijn.”

“Hoe moet ik dat doen”, vroeg de klaproos, “mijn kleur is ook mijn leven, als ik je mijn blaadjes geef, ga ik dood. Dat zou je toch niet willen, lieve steen. En jij, jij bent zo groot en sterk, een grijze rots van rust en bescherming, waarom zou jij anders willen zijn dan je bent? Ik vind je mooi, ik vind je goed en waardevol, ik heb je nodig zoals je bent.”

“Jij gaat niet dood”, zei de steen, “dat lijkt alleen maar zo. In je wortels schuilt altijd opnieuw weer leven, je bent oneindig. Dus geef me je blaadjes nu maar en maak me gelukkig”.

“Ik ga misschien niet echt dood” zei de kleine klaproos, “toch zal het zo lijken en dus kan ik je niet zomaar mijn blaadjes geven. Ze passen je niet eens, ze horen niet bij je, net zomin als ik een grijze klaproos zou kunnen zijn. Weet je wat, we vragen het aan Moeder Aarde, aan vader zon, aan broeder boom, aan de wolken en aan de wind. Zij zijn oud en wijs, zij hebben al zoveel gezien, zij weten zeker raad.”

“Goed, goed”, zei de steen, “laten we het maar vragen. Ik vind het niet eerlijk dat jij zo mooi oranjerood gekleurd bent en ik alleen maar uit grijzen besta. Nu is het mijn beurt voor een kleurtje.”

De kleine klaproos en de grote steen werden samen heel stil en eensgezind maakten ze in gedachten contact met de aarde, met de zon, met de bomen, de wolken en de wind. Ze vroegen raad, ze vroegen een antwoord. En het antwoord kwam.

“Grote steen”, zei Moeder Aarde, “waarom treur je zo? Waarom vraag je om iets dat je altijd al had? Waarom zie je de waarheid niet, doorheen de illusie van je grijze armoede? Je hebt alle kleuren die je maar kunt dragen, je hebt ze altijd gehad. Hoe vaak heb ik de wind niet in jouw richting gestuurd, de wolken gevraagd je met hun regen schoon te spoelen en daarna vader zon verzocht je glanzend op te drogen, zodat de mooiste kleuren zich in jou konden weerspiegelen. Het blauw van de hemel, het groen van het gras, het oker van de bomen, het geel en oranje van de vlinders. Ook in de winter, als de sneeuw je bedekte met haar spiegelende kristallen, was je nooit zonder kleur. En zelfs nu ik een klaproos aan je voeten heb gelegd en haar tere rood in alle vurigheid schittert in de dauwdruppels die de nacht je schonk, nu ben je nog niet tevreden. Wat kunnen wij nog meer voor je doen dan dat?”

“O, Moeder Aarde,” zei de steen met zachte stem, “ik schaam mij zo. Neemt u mij niet kwalijk dat ik zo dom en blind ben geweest. U heeft gelijk, natuurlijk heeft u gelijk, ik heb het alleen niet gezien, ik had het te druk met ongelukkig zijn, met anders willen zijn dan ik ben, met meer willen hebben dan ik nodig had. Hoe kan ik het goedmaken?”

“Ach kind van mij” zei Moeder Aarde, ”wees gerust, je hebt niets goed te maken. Onwetendheid is geen schuld. Mijn mooiste beloning is dat je begrepen hebt waar het uiteindelijk om gaat. Om het schitteren in je unieke eigenheid, om door het weerspiegelen van de kleuren van de anderen, je eigen pure kleur te herkennen.
Alles wat is, heeft elkaar nodig. Omdat de pracht van alles wat is, pas zichtbaar wordt door de afwijkende pracht van een ander. Omdat anders zijn ook aanvulling betekent. Jij beschermt de kleine klaproos tegen de wind, zij geeft jou kleur. Jij draagt de vogels op je schouders, zij geven jou kleur. Jij bent een baken van rust voor de bomen, zij geven jou kleur.

Alles wat is, heeft elkaar nodig. Jij hebt het begrepen, mijn kind, en daarom geef ik jou een stem om het weten aan anderen door te geven. En ik geef je een naam, Fluistersteen zul je heten”.

Moeder Aarde zweeg, om samen met vader zon, broeder boom, de wolken en de wind, Fluistersteen gade te slaan, die meer kleur had dan ooit, in het licht van de rijzende dageraad. Of bloosde hij misschien van schaamte, of was het een tikje trots?

Ergens, aan de rand van een bos, gemaakt van eikenbomen en van eeuwigheid, staat een grote grijze steen.

Vogels rusten op zijn stille schouders, vlinders dartelen om zijn stenen hoofd, en aan zijn voeten danst een kleine frivole klaproos, zich wiegend in zijn beschermende rust.

En soms, heel soms komt er een mens voorbij, en vertelt zijn verhalen aan de steen. Over alle dingen die gebeuren, over liefde en verdriet, over leven en dood. Over gemis en eenzaamheid, over dat waar hij naar verlangt en welke dromen hij waar wil maken.

De steen luistert, verroert zich niet en luistert. En soms, als de mens heel stil geworden is, even roerloos als de steen, even onaangedaan, dan kan hij horen hoe de steen een antwoord geeft. Fluisterend, lichter dan de lichtste bries, alsof het antwoord er nooit is geweest en toch altijd heeft bestaan.

En de mens glimlacht, rijk aan waarheid en vertrouwen.

Lichtvoetig gekleurd wordt zijn weg.

Hij is niet gelukkig, de steen, hij is ook niet ongelukkig. Hij is.