Written with Love Written Speciaal

Oordeel

Oordeel veroordeeld

Kate Nowak


“Je kunt niet afgaan op je oordeel wanneer je verbeelding op de loop is”
Mark Twain

Mijn vriendin Jackie had de pest aan haar chef Nancy. Ze vond haar koud, ongevoelig en arrogant en had in het verleden tweemaal vergeefs geprobeerd om naar een andere afdeling overgeplaatst te worden. Nancy was blijkbaar de favoriet van haar werkgever en omdat Jackie nieuw was, zowel in de regio als ook in deze baan, wist ze dat zij het niet was om aan de touwtjes te trekken. Dat irriteerde haar mateloos.

Toen ze op een avond overwerkte om haar kwartaalrapport af te maken, voelde Jackie zich plotseling verschrikkelijk en terwijl ze de gang opliep, onderweg naar het toilet, viel ze onverwacht op de grond. Het volgende wat ze gewaar werd was dat ze op een brancard naar een wachtende ambulance werd gereden. In de zee van gezichten om zich heen was de enige die ze herkende die van Nancy en in de vage activiteiten om haar heen kon ze Nancy voelen die zacht in haar hand kneep en tot haar zei: “Wees maar niet bang, Jackie, ik ben hier en ik blijf bij je, wat er ook gebeurt.”

Die belofte hield ze. De volgende paar dagen bracht Jackie, zojuist gescheiden en moeder van twee, in een ziekenhuisbed door, waarbij ze geleidelijk de gevolgen van de schade die de beroerte had veroorzaakt te boven kwam. Het was niet alleen Nancy die twee of drie keer per dag in het ziekenhuis langs kwam, waarbij ze steeds weer woorden van bemoediging sprak, maar ook bracht ze post en beterschapkaarten mee van haar collega’s. Bovendien overtuigde ze er zich ervan dat Jackie’s twee dochters werden verzorgd en dat ieder aspect van haar leven zo gladjes liep als maar mogelijk was tijdens haar afwezigheid.

Toen het voor Jackie noodzakelijk werd om het hospitaal te verruilen voor een revalidatiecentrum regelde Nancy alles en kwam ze haar dagelijks op bezoek. En toen ze uiteindelijk toestemming kreeg om naar huis te gaan, was het Nancy die het mogelijk maakte dat zij elke dag de fysiotherapeut kon bezoeken totdat ze tenslotte volledig hersteld, in staat was om terug naar kantoor te gaan.

Toen ik de twee vrouwen ontmoette, was er tien jaar verstreken. Zij werkten nog steeds voor hetzelfde bedrijf, hoewel Nancy binnenkort met pensioen zou gaan en Jackie nu de chef van haar eigen afdeling was, een promotie die ze een jaar na haar levens- veranderende beroerte had verworven. Het was voor iedereen duidelijk dat de twee vrouwen de beste maatjes waren. Ik was zojuist bij het bedrijf aangenomen en ze vertelden mij hun geschiedenis tijdens een lunch waarvoor ze me hadden uitgenodigd.

Bij Nancy’s afscheidsfeestje, een paar weken later, stond ik naast Jackie terwijl haar vriendin de felicitaties in ontvangst nam van de rest van haar collega’s. Jackie keek naar haar terwijl ze naar me fluisterde: “weet je dat ik die vrouw eerst haatte? En dat ik er nu waarschijnlijk niet meer zou zijn, als zij daar geen stokje voor had gestoken? Dat laat maar weer eens zien dat we nooit weten wie van ons de engel is, toch?”

Niemand van ons weet ècht iets af van degene die we besluiten te haten. We benoemen ze slecht en onszelf goed, maar als we dat doen realiseren we ons niet dat we een scheidingsmuur bouwen die mettertijd steeds sterker wordt. Op die manier weren we de engelen uit ons midden. Het is niet dan wanneer de omstandigheden ons samendrijven, zoals bij Jackie en Nancy, dat we ons realiseren hoezeer we elkander nodig hebben en hoe èèn we in werkelijkheid zijn.

Toen ik als jong meisje bij mijn grootmoeder woonde, vroeg ze me steevast, elke keer als ik in haar bijzijn iemand anders bekritiseerde, wiens schoenen ik droeg. Een botte herinnering dat tenzij ik in diens schoenen zou lopen, ik geen recht had te oordelen. Het was ook een signaal dat ik moest stoppen met praten en beginnen anders te denken.

________________________________________

Oordelen over anderen, heb ik gemerkt, laat geen vreugde toe.

Wel het weglopen daarvan..

________________________________________

Zelfs vandaag de dag, betrap ik mezelf nog wel eens dat ik naar mijn voeten loop te kijken wanneer ik me realiseer dat ik in de verleiding ben om iemand te bekritiseren. “Wie ben ik dat ik mag oordelen?”, vraag ik mezelf dan met de volgende ademtocht af, en realiseer me dan dat ik eigenlijk geen idee heb wat het doel van mijn kritiek nu eigenlijk was.

Natuurlijk lukt dat niet altijd en soms lijkt dat oordeel zomaar in mijn gedachten of woorden te zijn gedrongen en er bezit van te hebben genomen voordat ik er erg in heb. Maar door ermee te experimenteren, ontdekte ik dat wanneer ik erin slaag dat oordeel op te schorten en mijzelf toe te staan naar anderen vanuit een ander perspectief te kijken, vergroot mijn vreugde zich. Oordelen over anderen, heb ik gemerkt, houdt vreugde buiten de deur. Het niet toelaten daarentegen, laat vreugde binnen.

Hoe je het ook wend of keert, oordelen over anderen veroorzaakt pijn en blokkeert onze mogelijkheden tot liefhebben. We zijn geboren om te geven, te zegenen, om vreugde te verspreiden, maar als we in het oordelen blijven vastzitten werkt dat niet. Zoals Moeder Theresa het zei: Als we over anderen oordelen, hebben we geen tijd om lief te hebben. Het is slechts in het loslaten van oordeel dat we onze harten kunnen openen tot onvoorwaardelijke liefde en we onszelf en elkander kunnen bekrachtigen om het allerbeste te zijn wat mogelijk is.