Written with Love Written Speciaal

Paradijsvogel

 

De paradijsvogel

Door Tina Fröhlich

Vertaling: Hans Brockhuis

 

http://pegasus-lyrik.de



Er was eens een kleine, bonte paradijsvogel. Hij was levens- en ondernemingslustig, vol van innerlijke schoonheid en lieflijk om te zien. Zijn veren leken, door de vrijheid die hij genoot en de waardigheid die hij bezat, als van binnenuit te stralen. Velen werden door hem geroerd, voelden zich tot hem aangetrokken en bewonderden hem onvoorwaardelijk. En hoewel hij vele rivalen bezat, stoorde hem dat slechts weinig want hij berustte in zichzelf. Hij wist waarop het voor hem aankwam in het leven.

Op een dag stuitte hij op een gouden kooi, die hem in schoonheid evenaarde en die hem ‘eveneens betoverend’ aanbood te blijven, en hem als behuizing te benutten. Omdat de kleine paradijsvogel zich aangetrokken voelde tot deze zachtmoedige kooi, diens rustige manieren waren lafenis voor zijn eigen ongedurigheid, en omdat hij bovendien naar blijvende huisvesting omzag, stemde hij toe te blijven. Hij stelde evenwel beslist dat de deur altijd open zou blijven staan. Zijn nieuwe onderdak had daar niets op tegen en achtte zich gelukkig een thuis voor de betoverende vogel te kunnen zijn.

De gemeenschappelijke jaren verstreken snel en de paradijsvogel wende vlug aan het leven in zijn nieuwe woning. Van tijd tot tijd genoot hij nog danig van zijn uitstapjes door de bossen, maar hij bracht meer en meer tijd door met het gezellig maken van zijn woning. Bovendien bezat hij spoedig zelf een paar kleine paradijsvogeltjes, die hij diende groot te brengen. Hoe meer tijd hij daarom voor zijn kroost nodig had, des te sporadischer werden zijn uitjes. De deur bleef dan ook steeds vaker gesloten, ja, ze roestte zelfs bijna vast.

Aanvankelijk was hij blij met zijn nieuwe leven, dat zo heel anders was. Het was niet altijd gemakkelijk, maar speelde zich wel in een aangename atmosfeer af en hij had nooit het gevoel iets te missen. Hij had toch zijn gouden kooi en zijn nakomelingen? Maar hoe meer de jaren verstreken en de kleintjes zelfstandig werden, des te meer leek het de paradijsvogel dat hij iets miste; het was alleen nog niet duidelijk wat.

Op een dag stootte hij per ongeluk tegen de gesloten deur van de gouden kooi, die maar niet open wilde. Eerst na enkele malen een aanloop te hebben genomen lukte het hem het roestige scharnier in beweging te brengen. Op hetzelfde moment streek een warme wind door zijn vleugels die zijn hart zacht beroerde. Het leek wel alsof zijn verentooi zich opeens weer oprichtte en opnieuw een weinig begon te stralen.

”Nu weet ik weer wat mij ontbrak!” riep hij verheugd uit. Door de stem van zijn kameraad opmerkzaam geworden, vroeg de goeden kooi: “Wat doe je daar?”
“Ik wil proberen of ik nog kan vliegen, of ik de wereld nog ken, of ik er nog kan bestaan, of ik nog degene ben die ik eens was.” Met ieder zuchtje wind die zijn veren beroerde kwamen er meer vragen in hem op.
“Maar dat hoeft toch helemaal niet! Ik mag je en accepteer je zoals je bent, “ probeerde de kooi de paradijsvogel te beletten uit te vliegen. Hij was bang hem te verliezen.
“Dat is niet meer genoeg voor mij. Ik ben niet op aarde gekomen om alleen maar in een kooi te zitten, hoe mooi het hier ook is. De kleine vogel hipte onrustig van de ene poot op de andere en fatsoeneerde net als vroeger voor elke vlucht zijn verentooi.
“Blijf alsjeblief, kleine vogel,” pleitte de kooi. “Zonder jou ben ik zo leeg en weet ik niet of ik zo alleen wel kan blijven leven.” Treurig trilden zijn afzonderlijke staven en er bladderde een beetje goud vanaf op de vogel.
“Ik heb jou toch ook nog nodig. Ik wil beslist geen ander huis, maar ik kan eenvoudigweg niet alleen maar bij jou blijven”, antwoordde hij en omdat hij merkte hoe treurig de kooi was, voegde hij eraan toe: “Ik kom terug, hoor!”

Peinzend en naar woorden zoekend zwegen ze beiden lange tijd. Beiden zochten ze naar woorden die de ander geen pijn zouden doen, maar die toch toonden, wat men voelde en werkelijk wilde. Toen het al begon te schemeren en de hemel nieuwe kleuren schilderde, zei de kooi nauwelijks verstaanbaar: “Ik weet dat ik je niet met geweld kan vasthouden. Liefde is een kind van vrijheid. Vlieg dan uit mijn kleine vriend, ik ben in gedachten bij jou!”

Op dat ogenblik opende de deur zich als vanzelf een stuk verder en een laatste zonnestraal trof de veren van de paradijsvogel. Plotseling herkreeg zijn verenkleed de verloren glans dat zich vermengde met de wisselende kleuren aan de horizon. Op een curieuze weldadige wijze doorstroomde een tinteling al zijn spieren. In gedachten aan de voorbije dagen en met voorpret naar zijn nieuwe levenswijze in bijna vergeten gebieden hief hij stralend zijn kop op en dankte zijn trouwe vriend:
“Ik kom zeker terug, want ik heb jou ook nodig!”

Met deze woorden zette hij zich af, de lucht in. Ten afscheid draaide hij een paar schroomvallige pirouettes en toen hem dat lukte verdween hij met een salto in het avondrood. Zijn veren straalden daarbij duizendmaal mooier dan vroeger. Bovendien had hij nu, naast zijn vrijheid, ook nog een trouwe vriend die op hem wachtte, hem opving en verzorgde als hij zich, moe maar voldaan van zijn trip, naar zijn huis terug had gehaast.