Lazarus

Reïncarnatie: Een Vogel leerde ons Waarheid


© 2003 April 13, 2003 by Judith Leigh Bailey
All Rights Reserved
Vertaling: Hans Brockhuis



’Waarheid is dat wat waar is
Dat wat niet waar is, is dat niet
Daarom is Waarheid alles wat is.’

~1~

Het was tijdens één van onze vroege ‘lessen’ bij D., waarbij we Nieuwe Informatie konden zien, horen, voelen en absorberen.

Maar ik maak er zo een potje van, daarom zal ik bij het begin beginnen.

Deze avond gebruikte D. het Ik Ben syllogisme om uit te leggen wat Jezus werkelijk deed toen hij water in wijn veranderde en hoe die simpele Waarheid werd verdraaid zodat het wordt herinnerd als een magische truc.

D.’s boodschap aan ons was natuurlijk: Mis de boodschap niet. Wat natuurlijk wel gebeurde.

Ik moet hier ter verduidelijking aan toevoegen dat dit deel van het verhaal wordt verteld vanuit Mijn gezichtspunt met of zonder dat het werkelijke Waarheid bevat. Ik zal het aan mijn lezer overlaten om uit te maken wat hier waarheid is.

Weet dit; het Lazarus incident heeft mij altijd geïntrigeerd. En toch, toen ik er voor het eerst over las toen ik een jong meisje was, bewaarde ik het direct in dezelfde categorie in mijn gedachten/wereldbeeld als Moeder de Gans en Hans Christian Andersen, samen met veel anderen.

Dat wil zeggen, in mijn oude wereldbeeld waren de verhalen heel interessant om over na te denken, maar ze waren niet WAAR GEBEURD. Water in wijn veranderen, de doden opwekken – dat was allemaal geen werkelijkheid; dergelijke dingen gebeurden niet in het echte leven… maar deze les van D--, had me geleerd hoe werkelijk te ZIJN.

Zonder erbij na te denken interrumpeerde ik met mijn vraag:

”Hoe zit het dan met Lazarus? Wat was waar – dat hij dood was of dat hij levend was?”

D. heeft een manier van naar een leerling kijken alsof hij een insect op een naald ziet onder sterke vergroting: vluchten kon niet meer.

“Hoe zit het dan met Lazarus? Wat is het precies wat je wilt weten?” Zijn ogen knipperden niet; hij keek me aan en verwachtte een helder antwoord.”

Wanhopig, liet mijn geest een wazig beeld van Lazarus zien, in verregaande staat van ontbinding, bezig om uit zijn graf te klimmen. Zo had ik het me altijd verbeeld in mijn gedachten.

Ik bedoel, dooie mensen zijn na een paar dagen in een graf niet prettig om naar te kijken of om te ruiken. Wie zou er willen leven in die staat? Terwijl ik daar zat, tegenover D., wilde ik dat ik mij kon voorstellen dat Lazarus er veel beter zou uitzien dan hij had gedaan voordat hij was doodgegaan, wanneer hij terugkeerde naar zijn levende staat. Dat wilde ik geloven, maar mijn ongeloof was sterker.

“Nou, Lazarus, weet je. Ik bedoel, hij STIERF! Hoe kan dit syllogisme me laten zien wat Jezus deed?”

Je zal moeten toegeven, D. is echt goed: hij is nooit kribbig wanneer hij zichzelf moet herhalen. Langzaam zei hij: “Hoe weet je dat Lazarus dood was? Of dat hij zelfs ooit heeft geleefd?…”

Adam, die zich tot nu toe stil had gehouden maar er altijd vlug bij is wanneer hij de stok van de leraar kan overnemen, zei nu: “De dood is alleen maar een illusie.”

Geïrriteerd en dreigend keek ik Adam aan: “Ja hoor eens, dat is allemaal goed en wel, maar dat past helemaal niet in deze situatie.” Ik keek met één oog naar D., om zijn reactie op onze woordenwisseling te kunnen peilen. Hij knikte goedkeurend naar Adam.

Inwendig kreunde ik. Adam leek ergens een inzicht te hebben die ik miste. Een ondraaglijke situatie, hoewel ik wist dat ik een houding had aangenomen die me mijlenver van de Waarheid vandaan hield.

Ik wist dat ik mijn houding omtrent de hele situatie moest veranderen, en wel onmiddellijk. Toch jammerde ik inwendig. Het was niet eerlijk, dacht ik. Adam bestudeerde nauwelijks het materiaal dat D. ons had gegeven. En dat terwijl ik dat vol overgave wel deed. Bovendien had ik al vele jaren studie achter me. Ik wist dat ik meer wist dan Adam. Maar op de één of andere manier kwam het er hier in de klas niet uit.

Het is mijn Schorpioen aspect die de donkere kant van dit verhaal weergeeft. Maar er is een andere ik die de noodvlag blijft zwaaien, trachtend om te helpen, om mentale valkuilen te omzeilen als degene waarin ik zojuist was gevallen.

Ik had mijn Zelf beoordeeld voor het niet begrijpen van het concept, en in het bijzonder voor het niet eerder begrijpen dan Adam.

“Jullie zijn allebei van het onderwerp afgeraakt!” D.’s scherpe stem riep ons terug in de klas.

”Zeg het syllogisme met mij mee, Judith, Adam. Tracht het niet te begrijpen, maar zeg het, samen met mij. Terwijl ik de competitie met Adam liet voor wat hij was, sloot ik mijn ogen en zong.

”Waarheid .. is .. dat .. wat .. waar .. is -
Dat .. wat .. niet .. waar .. is, .. is .. dat .. niet ..”

Dit gedeelte leek me altijd heel duidelijk. Of, dat dacht ik tenminste in die tijd. Nu begrijp ik dat je altijd vervuld dient te zijn van dat begrip, zodat de niet-zo-ware dingen zich niet in je geest beginnen vast te zetten, met onkruid van gedachten die Waarheid belemmeren te bloeien.

Mijn schrijvende Zelf kan maar niet ophouden om op deze manier te schrijven! Mooie woorden, maar woorden die geen waarheid zijn, slechts een verborgen waarheid. Maar ik raak vooruit op mijn verhaal. Je weet nog, D. en ik en Adam spraken de woorden van het syllogisme.

”Waarheid .. is .. dat .. wat .. waar .. is -
Dat .. wat .. niet .. waar .. is, .. is .. dat .. niet ..”
Daarom .. is .. Waarheid .. alles .. wat .. is.”

Dit is het gedeelte waar ik de woorden moet visualiseren om ze met mijn geestespalet te vormen zoals een eenvoudig rekenkundig probleem. Een plus een is twee. Waarheid is datgene wat waar is: een. Datgene wat niet waar is, is dat niet: min-een.

Gelukkig met het door mij geschapen beeld trok ik mentaal een rechte lijn onder de getallen. Het antwoord verscheen onmiddellijk: een. “Daarom is Waarheid alles wat is: Twee!”, zong de rest van mijn geestelijke dialoog.

Twee! Geen twee. Een min een = nul. Nul kan niet de Waarheid zijn omdat…, hoe kan Niets gelijk zijn aan waarheid?

Hoewel mijn geest door deze inmiddels bekende gedachten spinsels kauwde, had ik genoeg geleerd om te weten - en erop te rekenen – dat D. mij niet het antwoord zou geven, maar mij in plaats daarvan zou leiden naar begrip, als ik niet zorgvuldig naar hem zou luisteren.

Ik pleeg dat waarheidsvol luisteren te noemen. Dat betekent dat ik aan niets anders denk terwijl hij spreekt. Ik hoor zijn woorden en laat het begrip van hem naar mij toe stromen. Gelouterd laat ik de woorden door me heen vloeien, voor één keer niet aan iets anders denkend.

Op dit moment keek hij niet naar mij, noch naar Adam, maar was hij zijn IK BEN Zelf geworden. Hij humde het in de lucht, ruimte latend tussen de tonen en vormde de vorm in een Aanwezigheid.

”Waarheid .. is .. dat .. wat .. waar .. is -
Dat .. wat .. niet .. waar .. is, .. is .. dat .. niet ..”
Daarom .. is .. Waarheid .. alles .. wat .. is.”

Lazarus! Ik was dat probleem bijna vergeten. Mijn voorstelling van zijn dode lichaam werd plots op mijn innerlijk scherm geprojecteerd. Ik tuurde er voorzichtig naar, en gluurde om te zien of Lazarus er min of meer levendig uitzag nadat Jezus zijn woorden had gesproken.

”Jij bent niet wie je denkt dat je bent.” D.’s onverwachte woorden sloegen in als een bom, in mijn geestelijk beeld van Lazarus. De voorstelling rimpelde en verdween.

”Jij bent veel meer dan wat je denkt wie je bent, veel meer. Dat is Waarheid!

”Je bent levend, denk je, op dit moment. En toch ben je veel meer dan je denkt wie je bent.

“Op een dag zal je sterven, maar je zult veel meer zijn dan je denkt wie je bent; jij bent voorbij het concept van de dood. Het is slechts een plaats op de plattegrond van je bestaan, je wezen, je Ik Ben.

“Jezus liet alleen maar dit concept aan zijn leerlingen zien toen hij Lazarus liet oprijzen vanuit de schijnbare ‘dood’. Omdat hij meer was dan ‘slechts’ een mens, omdat hij Waarlijk noch levend noch dood was, en als dat niet de Waarheid zou zijn, dan zou het niet waar zijn.”

D. pauzeerde en keek ons recht aan. Langzaam eindigde hij: “Daarom is Waarheid alles wat is.”

Adam en ik glimlachten naar elkaar, eindelijk op één lijn, wetend dat vandaag Waarheid van onze leraar naar ons toe was gestroomd.

”Leven, het leven, het is allemaal illusie”, zei Adam opnieuw. En deze keer was ik het helemaal met hem eens en dacht dat ons begrip van het concept hiermee compleet was.

En aldus geschiedde het dat wij met vreugde en blijdschap onze D. goedenavond wensten. De lessen zouden morgen worden voortgezet.

~~2~~

Het volgende deel van dit verhaal wordt hier tweedehands verteld, hoewel Adam het zal redigeren om er zeker van te zijn dat alle details worden opgeschreven zoals ze door hem zijn ervaren.

Vanaf nu zal ik slechts de naakte feiten optekenen zoals ik ze heb begrepen. Hij kan later de details invullen.

Adam merkte dat hij een probleem had toen hij onze lapjeskat, Kali, door haar kattenluikje zag komen en door de gang naar de grote slaapkamer liep. Ze liet haar jachtgeluid horen, een bronzen knorrend geluid diep vanuit haar hals.

”Kijk naar me!”, gromde ze.
”Ik ben de machtige jageres.
Het was een goede jacht.
Ik heb een schepsel thuisgebracht om te doden en te eten.
Het is goed omdat het zo is.
En bovendien ben ik de allermooiste, snorr, snorrrrr.”

Waarschijnlijk heb ik een paar extra woorden toegevoegd aan deze monoloog, maar die staan er goed bij, dus dat laat ik zo. Ze is erg trots en houdt ervan om op te scheppen. Bovendien vindt zij het fijn om deze manier aandacht te trekken. Ik ben er zeker van dat ze iets zei wat dichtbij datgene komt van wat ik heb opgeschreven.

Adam had enkele ogenblikken eerder noodsignalen van een vogel gehoord in de tuin. Hij zag haar door de gang komen… was het een vogel in Kali’s bek? Hij volgde haar naar de slaapkamer. “Kom hier, Kali-Kali, laat eens zien wat je daar hebt.” Hij weet dat zij het niet kan laten om te pronken maar ze zal zich niet tegen hem verzetten. Schuchter liep ze naar hem toe, altijd in voor lof.

Hij bukte om te kijken. En ja hoor, er zat een kleine vogel in Kali’s bek. Hij hield zijn hand omlaag. “Kom hier, lieve Kali, laat me eens zien wat je mee naar huis hebt gebracht.”

Toen Kali hem het kleine schepsel aangaf, hield hij zijn andere hand als een kommetje om de inerte vorm heen. In zijn hand voelde hij wild geflapper. Met een zachte woordeloze stem uitte hij zijn liefde voor het hulpeloze en gewonde schepsel. Hij herinnerde zich de discussie over Lazarus, van de les waarvan hij zeker wist dat hij het goed had begrepen.

Het nog altijd levende vogeltje die zich opmaakte om te sterven was meer dan wat het leek te zijn.

”Leven – het leven – het is allemaal illusie,” zong Adam. Hij had het leven lief, zijn wereld, die zich plotsklaps had verwijdt in ongelimiteerde horizonnen. Het visioen was gestegen tot waarheid en begrip. Dit leven dat hij in zijn hand hield was meer dan het leek. Nu begreep hij het echt.

”Ga, kleine lieve vogel! Jij bent meer dan wat je zelf denkt te zijn.” Adam liep door de deur naar de achtertuin. Hij kon de moedervogel vlakbij horen krijsen. “Hoor je dat? Ze roept je, kleintje. Nu heb je veel te leren… Ga! Vlieg! Wees meer dan wat je denkt te zijn, als Ik Ben...”

Adam vertelde me later dat hij het allemaal geloofde toen hij deze woorden hardop sprak, daar in de tuin, maar dat hij ook wist dat dit geloof, zelfs zijn woorden, niet de sleutel waren. Alleen Waarheid kon dat zijn; al het andere is illusie.

Stond de vogel op en vloog het terug naar zijn moeder?

Ja!

~~~3~~~

”Waarheid .. is .. dat .. wat .. waar .. is -
Dat .. wat .. niet .. waar .. is, .. is .. dat .. niet ..”
Daarom .. is .. Waarheid .. alles .. wat .. is.”

Adams verhaal, zoals hij het verwoordde. We gingen naar de computer en ik zal zijn versie typen terwijl hij spreekt.

***

“Zo, hoe beoordeel je dit verhaal tot nu toe, op een schaal van een tot tien”, vraag ik Adam.

“Welk deel, het eerste of het tweede deel?”

Ik weet al dat hij er niks aan vindt. Ik hoor defensieve tonen in mijn stem… “In feite, het hele verhaal. Het hoort allemaal bij elkaar.”

”Het Lazarus gedeelte 8½ , misschien een 9, maar het verhaal over de vogel had niets uit te staan met mijn gevoel daarover. Ik zou willen zeggen dat jij mijn deel van het verhaal aardig hebt verwoord, maar jouw versie heeft niets van doen met mijn Waarheid.” Hij let op hoe ik reageer… voorzichtig…

”Ja”, stem ik in. “Jij vertelt jouw verhaal zoals je het je herinnert. Ik schreef het op alsof ik het had begrepen, zowel de authentieke als de spirituele verhalen. Maar ik begreep het concept nog altijd niet heel duidelijk. Bijvoorbeeld, tijdens de laatste les, was het moeilijk voor me om het concept van de dood van Lazarus en het opwekken daaruit door Jezus, volledig te vatten.”

Adam interrumpeerde mijn verdediging: “Jezus wekte Lazarus niet op uit de dood. Lazarus is never nooit gestorven!”

Hij kijkt me aan, wil me het laten begrijpen. “Niemand die daar was, zelfs Martha en Maria niet, niemand kon het concept van onsterfelijkheid bevatten.

Dit is belangrijk voor het verhaal. Hij had gelijk. Ik had het niet ‘gesnopen’, net zoals velen die Jezus dezelfde woorden hadden horen spreken.

”Dus!” Adam hielp me herinneren aan mijn taak.

Hij vertelde verder terwijl ik typte. “Die maandagochtend, wat altijd mijn vrije dag is, ging Judith naar haar werk terwijl ik mijn ontbijt klaarmaakte. Ik was ietwat gestresst door het feit dat ik, de vorige avond, een nieuwe confirmatie van mijn geloof had gekregen die ik zelfs niet zou fluisteren als de Christenen of de Katholieken van deze wereld aanwezig zouden zijn.

”Ik wist dat ik op het juiste spoor zat, misschien raadselachtig en onzichtbaar, maar waar.

”Kali, onze lapjeskat, had een probleem toen hij door het kattenluikje de keuken in wilde stappen. Toen zij zich erdoor wrong ontdekte ik dat zij een prooi in haar bek had.”

“Ze gaf mij een snelle blik en rende de slaapkamer in. Ik ging haar achterna en zag dat ze een kleine vogel op het tapijt neerlegde. “

”Eerder die ochtend, terwijl ik over ons terrein wandelde, had ik twee vogels gezien met hele lange poten en witte kragen. Lawaaiig! Het zijn vogels die liever draven dan lopen.

“Nu hield ik de kleinste van de twee in mijn hand; Kali’s prooi. De kop was slap, zijn ogen waren gesloten. Eerst dacht ik dat hij heel erg dood was. Toen, door de huid van mijn hand, nauwelijks waarneembaar, voelde ik het hartje kloppen, het leken wel vierhonderd slagen per minuut.

”Ik hield mijn andere hand boven de vogel en, vol van respect voor het moment, liep ik naar buiten door de voordeur naar het gazon. Het was me niet duidelijk of de vogel doodging of dat hij zich alleen maar doodgeschrokken was. Maar dood bestaat niet, weet je nog!

”terwijl ik die gedachtengang volgde, zette ik de kleine vogel op het gras en merkte dat zijn moeder twee huizen verderop, aan de overkant, zat te schreeuwen. Spoedig nadat de kleine vogel het gras onder zijn kop voelde, ontwaakte het en draafde naar zijn moeder alsof er geen morgen meer was.

”Dat is wat de vogel me zei: ‘Er is geen morgen. Er is geen dood. Leven is alles wat is.’

”Waarheid is alles wat is. Einde verhaal.”

Dit is ons vogelverhaal. Je hebt het gelezen, beslis voor jezelf wat er zich werkelijk heeft afgespeeld, maar ik denk nog altijd dat deze vogel ons waarheid leerde.`