Buitenaards Plejadische dossiers Nada Kronieken Running Fox Homepagina Written with Love Written Speciaal

Toen ik nog heel jong was

Hans Brockhuis

 


Toen ik nog heel jong was, nam mijn moeder mij soms ‘s avonds mee naar buiten om naar de sterren te kijken. In die tijd was de melkweg nog goed zichtbaar en soms viel er een ster. Later leerde ik dat dit geen ster kon zijn, maar een meteoriet was. Wij mijmerden dan over de (groene?) wezens die op al die sterren zouden kunnen wonen en het was voor mij nogal mystiek om te bevatten dat er mensen konden leven op zulke kleine lichtpuntjes. Bovendien plachten wij naar het hoorspel: ‘Monus de man van de maan’ te luisteren, hetgeen ons de bibberaties gaf.

Wat later vertelden de mensen van de kerk mij iets heel anders. De mensheid leefde op de planeet Aarde en dat was dat. Daar buiten existeerden God en de Engelen en concepten zoals hemel en hel. Ze waarschuwden me om vooral braaf te zijn, anders zou het leven na dit leven bepaald niet plezierig zijn en zou ik worden uitgesloten van het vooruitzicht om eens te mogen vertoeven aan de voet van de troon van God Almachtig.

Tijdens mijn schooljaren werd ik onderwezen in de wetenschap en leerde ik veel over astronomie en over het radarwerk van het universum. Planeten, Sterrenstelsels, Meteoren, Kometen en op een grotere schaal Melkwegstelsels, Nevels, Rode dwergen en Reuzensterren en het leek erop dat ik alle antwoorden kreeg gepresenteerd met inbegrip van het concept dat wij op aarde er alleen voorstonden en dat er geen concurrentie voor de mensheid (kon) bestaan.

Op de één of andere manier veroorzaakte dit bij mij een merkwaardig gevoel. Als God zo almachtig was en het universum zo groot en complex, hoe was het dan mogelijk dat Hij niets beters had kunnen creëren dan zulk een nietig mensdommetje op een miniplaneet? Nee hoor, ik dacht het niet. In die tijd was ik verslaafd aan Science Fiction literatuur en daarin werd een heel ander verhaal verteld.

En toen kwam Erich von Däniken, die een heleboel boeken nodig had om het publiek te informeren dat wij niet alleen in het universum zijn. Hij verzamelde een grote hoeveelheid ‘wetenschappelijk’ bewijsmateriaal en probeerde door middel van een groot aantal bizarre artefacten die hij over de gehele wereld had gevonden, te bewijzen dat ‘zij’ ons – ergens in het verleden – hadden bezocht. De UFO euforie kwam en ging. Graancirkels begonnen zich te materialiseren, maar officiële en wetenschappelijke bronnen spraken immer van bedrog.

Was dat wel zo? Ik denk het niet. Mijn gevoel vertelde me iets anders en op een dag, zes of zeven jaar geleden, in een communicatie met een van mijn zegslieden ‘aan de andere kant van de sluier,’ is mij verteld over een leven dat ik doorbracht op de planeet Moira, die tot het zonnestelsel Amadis behoort, bekend bij de astronomen als Barnard’s Ster. Later, op het internet, vond ik steeds meer informatie over wezens die soms erg op ons lijken, maar in andere gevallen hebben zij een totaal ander uiterlijk en gedragingen.

Een vraag uit mijn kinderjaren werd op die manier opgelost. Gedurende vele jaren had ik twijfels over de bijna exponentiële groei van de bevolking op Moeder Aarde. Waar kwamen al deze zielen vandaan? Het antwoord hierop is natuurlijk dat in vergelijking met de onmetelijkheid van het universum en het grote aantal wezens dat daar leeft, de bevolking van Terra slechts onbeduidend te noemen is…