Vaals

De oude bakkerij te Vaalserquartier


Thila vertelt

De Nada Kronieken, deel 5

© Hans Brockhuis – 2001 

 

Het is 10 juni 1824 en ik ga mijn levensverhaal opschrijven. Dit naar aanleiding van een visioen dat ik de afgelopen nacht beleefde en waarin voor de tweede maal in mijn leven de vrouw Nada aan mij verscheen. Zij raadde mij aan dit te doen voordat mijn leven op deze aarde ten einde zou zijn. Dat kan niet lang meer duren, want ik ben erg ziek en moet voortdurend stoppen om te hoesten. Ik ben nu trouwens helemaal niet bang meer om dood te gaan, want Nada heeft mij verteld dat ik in de andere wereld opgevangen zal worden door mijn dierbaren en dat ik daar ruim de tijd zal krijgen om uit te rusten van alle ontberingen die ik in mijn leven heb ondervonden.

Mijn naam is Thila Eldern en het is vroeg in de ochtend. Langzaam zie ik de zon in het oosten opkomen die de bossen tegen de flank van de Vaalserberg in een prachtige gloed zet. Ik hou van dit uitzicht, die mij enigszins doet denken aan de heuvels van Wallonië, waar ik geboren ben. Die herinnering is het enige dat mij aan die wereld bindt. Mijn echtgenoot Jochem, die bakker is in het gehucht Vaalserquartier, vlak bij de grens met Holland, is in zijn werkplaats bezig met bakken. Jochem trouwde mij vier jaar geleden. Niet omdat hij veel om mij gaf, maar hij had – als weduwnaar – een huisvrouw nodig om zijn bakkerij, zijn kleding en zijn woning schoon te houden. Om sociale redenen durfde hij niet als ongehuwde een huishoudster in dienst èn in huis te nemen.

Overigens laat Jochem zich, nu ik zo ziek ben, van zijn betere kant zien. Hij heeft een Hollandse dokter ontboden die constateerde dat ik aan Tuberculose lijdt. De goede man kan overigens niet veel voor mij doen en heeft mij opgegeven. Bovendien heeft Jochem er voor gezorgd dat zijn alleenstaande zusters Hannelore en Madelina bij toerbuurt het huishouden komen doen en mij zo nu en dan gezelschap houden. Dat is in mijn toestand een hele opluchting want zelfs het schrijven van deze woorden kost mij veel inspanning en ik moet vaak stoppen.

Ik heb weer een geweldige hoestbui gehad en ga maar weer verder met schrijven. Dat is waar ik mee ben begonnen en ik wil het afmaken ook. Ik ben op 14 augustus 1769 in het stadje Farciennes in de Zuidelijke Nederlanden als Thila Labruyère geboren. Ik had vier broers en een zuster. Zij was mijn lieveling Julie, met wie ik in mijn jonge jaren altijd samen was. Mijn vader en mijn broers werkten allemaal in de mijn, bij ons om de hoek. Omdat moeder aan een hartkwaal leed, moesten wij als dochters al op jonge leeftijd het huishouden doen. Vanaf het begin zijn, zoals in heel mijn verdere leven, vóór mij de keuzes gemaakt en heb ik een leven geleid waarbij ik altijd afhankelijk was van anderen. Dat was niet altijd gemakkelijk en niets bereidde me voor op de verschrikkingen die me met name in 1794 te wachten stonden. 

Natuurlijk ben ik de verschijning op de heuvel nooit vergeten. Wat zei ze ook weer?

“Ik wil met jullie praten over Liefde, kinderen. Weet dat er zeer binnenkort een aantal gebeurtenissen zullen plaatsvinden die het karakter hebben van haat, afgunst en verdriet.” En ook: En ik raadt jullie. Datgene wat zal gebeuren zullen jullie niet kunnen ontlopen. Maar probeer te allen tijde in gedachte te houden dat je de Liefde in je hart bewaart, ook en juist ten opzichte van je vijanden. Geef aan die vijanden mededogen en maak op deze wijze aan hen duidelijk dat het de Liefde, de Eenheid en de Kracht van de Goedertierenheid is die uiteindelijk zal overwinnen.”

Ik realiseer me steeds meer dat wij toen niet echt een idee hadden wat ons te wachten stond. Bovendien was moeder het jaar daarvoor al gestorven en opeens, op die vreselijke dag in juni 1794, waren we zo afgrijselijk alleen dat het weinig had gescheeld of ik had er een einde aan gemaakt. Slechts de zorg voor mijn zusje maakte dat ik daar vanaf zag. Drie dagen later, toen ik thuiskwam van een bezoek aan de pastoor, die mij een homp brood had toegestopt, ontdekte ik het ontzielde lichaam van Julie, liggend in een plas bloed op de grond van onze kleine keuken. Mijn wereld stortte in en ik huilde en jankte en gilde totdat alles zwart voor mijn ogen was en ik niets meer wist.

Het volgende dat ik mij herinner was het grijnzende ongeschoren gezicht van een onbehouwen soldaat die, in een tent, op mij neerkeek en iets tegen me zei in een vreemde taal. Weer werd het zwart voor mijn ogen en toen ik weer wakker werd, was het donker in de tent. Ik keek om me heen en merkte dat ik op een matras in een hoek lag. In het midden van de tent bevond zich een veldbed, waarop iemand luidruchtig lag te snurken. Bang was ik, heel bang en ik moest weer terugdenken aan de vorige dagen waar was gebleken dat noch vader noch één van mijn broers was teruggekeerd naar ons kleine huis. Iedereen in het dorp wist dat er een zware slag was geleverd bij Fleurus, tien kilometer naar het noorden en dat er heel veel doden te betreuren waren. En ja, er moest worden gevreesd, dat geen van mijn familieleden ooit nog zou terugkeren van het slagveld.

Merkwaardig genoeg had ik in die tent geen tranen meer. De dood van mijn zusje en de vermissing van vader en mijn broers leken gebeurtenissen te zijn die anderen waren overkomen. Was ik immers niet benaderd door die fantastische vrouw op de heuveltop die mij had verzekerd steeds nabij te zullen zijn en dat ik altijd in gedachte diende te houden om mijn vijanden lief te hebben? Mooie raad was dat. En hier lag ik dan, God weet waar, in een tent waar een vreemde vent lag te snurken. Bovendien moest ik vreselijk nodig en was ik geboeid.

Moeizaam stond ik op om naar buiten te gaan, maar het gerucht maakte de man wakker en ik hoorde hem ‘bonjour’ zeggen met een sterk accent. Ik draaide me om en keek in de bruine ogen van de soldaat. Ik zei hem dat ik naar buiten moest om mij te ontlasten en liet hem mijn gebonden handen zien. Hij glimlachte, haalde zijn schouders op en hij beduidde me met een armgebaar dat ik mijn gang kon gaan. In moeizaam Frans maakte hij me duidelijk dat ik niet moest proberen om weg te lopen. Buiten regende het verschrikkelijk en er waaide een ijzige wind. En dat in juni. Ik moest hoesten en nadat ik mij, onder de wellustige blikken van een wachtpost had ontlast, keerde ik snel terug naar de tent. Ik huiverde, ik had het koud en ik was bang.

Om een lang verhaal kort te maken, ik bleek in het gezelschap te zijn van een compagnie Pruisische soldaten die in de grote slag hadden meegevochten. Er waren een aantal gewonden en Feldwebel  Bachwerder had de leiding over deze haveloze troep. Ik werd – samen met een ander meisje die Dorette heette en uit Charleroi kwam – gedwongen om in de behoeften van de manschappen te voorzien. De eerste keer was een nachtmerrie en alle volgende keren waren niet veel beter. Bachwerder zelf vergreep zich nimmer aan mij, maar hij liet het wel toe dat anderen dat deden. Overdag moesten wij hun kleren wassen en allerlei andere karweitjes opknappen en bovendien werd ik ziek.

Langzaam trok de compagnie zich langs de Maas terug naar het Pruisenland. Het weer bleef verschrikkelijk slecht. Mijn hoestbuien werden talrijker en heviger. Meer dood dan levend sleepte ik mij, onder de dreigende blikken van de soldaten, voort. Met elke stap raakte ik verder verwijderd van de vertrouwde omgeving van Farciennes en zonk de moed mij dieper in de schoenen. Huilen kon ik niet. Het was of alles als in een roes aan mij voorbijging en ik hoopte en bad dat alles zich uiteindelijk ten goede zou keren. Natuurlijk wist ik dat ik Julie niet meer terug kon halen maar steeds bleef, tegen beter weten in, de hoop in mij levend.

Toen we in de stad Huy waren aangekomen, waar we enkele dagen in het garnizoen op de ‘muur’ waren gelegerd, werd het weer beter en knapte ik ook een beetje op. Bachwerder probeerde mij zijn taal te leren en tegen de tijd dat wij in Aix la Chapelle (Aachen zeggen ze hier) aankwamen kon ik een eenvoudig gesprek voeren in de Duitse taal. Madame Hanna Bachwerder nam mij tegen kost en inwoning als huishoudster in huis en gaandeweg raakte ik ingeburgerd in het dagelijkse leven van de grote stad. Het duurde een hele tijd voordat ik mij enigszins thuis begon te voelen en altijd was daar die knagende onzekerheid over het lot van mijn familie en de herinnering aan de vreselijke tijd in Farciennes. Het was daarom dat ik geen heimwee had naar wat vroeger mijn thuis was geweest. Want wat zou ik daar aantreffen? Ons huis zou nu beslist door anderen zijn bewoond. Niemand van mijn familie was klaarblijkelijk meer in leven – daar raakte ik langzamerhand meer en meer van overtuigd – en ik wende aan de gemoedelijkheid in het huis van Heinrich en Hanna Bachwerder.

Op een dag werd er aan de voordeur geklopt en stond er een man voor de deur die mij op het eerste gezicht vreemd voorkwam. In het Frans zei hij: “Bonjour Thila, on est la.” Ik schrok. Was het werkelijk waar? “Pierre”, stamelde ik, “Ben jij het echt?” Wat hadden we veel aan elkaar te vertellen. Hij bevestigde dat wij de enige van de familie waren die de slag bij Fleurus hadden overleefd. Ook hij was gevangen genomen, door de Hollanders, en had een poos vastgezeten in Delft. Hij was echter ontsnapt en na veel omzwervingen uiteindelijk weer in Farciennes terechtgekomen, waar hij van de Mairie het droevige lot van onze familie had vernomen.

Hij was weer gaan zwerven en had en passant inlichtingen ingewonnen om achter mijn verblijfplaats te komen en had mij uiteindelijk gevonden. Natuurlijk wilde ik dat hij bleef. Trek om terug te gaan naar Farciennes had ik niet, want daarvoor waren de wonden te diep, maar Pierre vertelde mij, met een zekere spijt in zijn stem, dat hij niet kon blijven. Het zwerven was hem goed bevallen en zodoende was hij in veel steden geweest en had daar zo de smaak van te pakken dat hij het niet kon opbrengen, om samen met mij verder te gaan. Bitter bedacht ik dat hij het wel kon, maar niet wilde en zo gebeurde het dat Pierre na ruim een maand opnieuw uit mijn leven verdween. Het was goed geweest om met hem weer in mijn eigen taal te kunnen praten, maar het was duidelijk dat hij met zijn gedachten elders was en in zekere zin was het ook een opluchting toen hij weer vertrok. 

Ik keek hem na en toen hij om de hoek verdween, zwaaide hij nog eenmaal met zijn zakdoek en ik heb hem nooit weergezien. Ongetwijfeld heeft hij vele landen, steden en dorpen gezien en bovenal de vrouwelijke inwoners daarvan.

Hoe dan ook; het leven zette zich voort. Ik deed het huishouden en in de avonduren kletste ik tijdens het handwerken met vrouw Hanna. Heinrich had na de oorlog de dienst verlaten en werkte enkele straten verder als makelaar in onroerend goed. Hij deed goede zaken, want hij en zijn vrouw liepen rond in de beste kleren, maar voor mij was er nooit enig loon weggelegd. De enkele keer dat ik dat schuchter ter sprake bracht werd mij vriendelijk doch beslist te verstaan gegeven dat ik blij mocht zijn dat zij zich over mij hadden ontfermd en dat ik kost en inwoning genoot en verder toch zeker niets te wensen kon hebben. 

Gedurende al die jaren bezat ik mijn ziel in lijdzaamheid, tot het moment dat Jochem Eldern in mijn leven kwam en er zich een omwenteling voordeed. Jochem was bakker in de stad, maar was na de dood van zijn echtgenote, ruim een jaar eerder op zoek gegaan naar een eigen bakkerij en een huishoudster. Hij was ziek van verdriet over het verscheiden van zijn Mathilde (ook al; mijn doopnaam is Mathilde), en wilde daarom eigenlijk niet hertrouwen. Alleen was het sociaal niet aanvaardbaar om met een huishoudster alleen een huishouden te bestieren. Want hij wilde weg uit de grote stad om van de herinneringen aan zijn vrouw af te komen. 

Jochem was bevriend met Heinrich, de oudste zoon Bachwerder, en vroeg op een dag aan vader Heinrich of die zijn huishoudster – ik dus – aan hem kon overdoen. Heinrich en Hanna gingen daarover in beraad en de uitkomst daarvan was, omdat de kinderen toch al jaren de deur uit waren, dat ik eigenlijk wel gemist kon worden. Het was van meet af aan duidelijk dat mijn mening, zoals gebruikelijk, er niet toe deed en zo kwam het dat Jochem mij in de winter van 1820, in het bijzijn van Hanna en Heinrich Bachwerder ten huwelijk vroeg.

Ik stond perplex. Op het eerste gezicht leek het wel of hij echt iets om mij gaf, en ik stamelde – zonder te beseffen wat dat inhield - ja. Het huwelijk vond plaats op 20 maart 1820. Natuurlijk niet in de domkerk, maar in een achteraf kerkje en vrijwel zonder publiek en in een zelfgemaakte trouwjapon. Hanna en Heinrich waren aanwezig evenals Jochems ouders en enkele toevallige passanten, die op het gebeier van de enkele klok in de houten toren waren afgekomen.

Vanaf nu was ik Frau Eldern en de volgende dag vertrokken we lopend naar Vaalserquartier, een gehucht waarvan ik nog nooit had gehoord en dat eigenlijk een buitenwijk is van Vaals, een stadje aan de andere kant van de grens. Jochem vertelde mij nooit hoe hij aan dit adres was gekomen, maar feit was dat hij hier zijn eigen bedrijf kon runnen en ik was wel zo goed om voor zijn natje en droogje te zorgen en om de boel schoon te houden. Kortom, het leven, zoals zich dat in Aken had afgespeeld, werd hier vrijwel naadloos voortgezet. Het enige verschil was dat ik nu, als echtgenote, verplicht was om het bed van mijn gemaal te delen en dat was beslist geen onverdeeld genoegen, hoewel de man weinig belangstelling voor mijn persoon betoonde.  

Dat was ruim vier jaar geleden. Mijn gezondheid werd er met het klimmen der jaren niet beter op en de laatste winter die weer heel erg koud was, zorgde er voor dat mijn hoestbuien, die eigenlijk nooit echt gestopt waren, opnieuw in alle hevigheid losbarstten. En nu ben ik aan het eind van mijn leven en kom ik ertoe om de woorden weer te geven van de vrouw Nada, zoals die vannacht in het visioen waar ik het eerder over had, tot mij kwam:

“Dag lieve Thila. Opnieuw kom ik bij je om met je te spreken en vandaag zal ik het hebben over een heel mooi verhaal. Het is een verhaal over vrede met en in jezelf, over Liefde, intelligentie en over de band tussen hier en daar. Het is zo mooi zoals jij daar luistert naar mij die tot je komt vanuit een andere dimensie, waar wij ons heel speciaal gesteund voelen door jouw inzet. Er is zoveel licht om je heen. Er schijnt een gouden pilaar van licht vanuit jouw kruin, ver het universum in, waar het kan worden waargenomen door vele wezens. De zaadjes van moed, kracht, vertrouwen en vooral van liefde die gedurende jouw leven door jou zijn geplant, zijn op grote afstand in het universum voelbaar.


“Het is ook van betekenis om te weten dat het altijd goed is om hiermee om te gaan op een wijze die ervoor zorgt dat je innerlijke reinheid wordt verheven tot een graad van perfectie die je in staat stelt om datgene met je leven te doen wat je er, voordat je in dit leven kwam, van verwachtte. Om te beseffen dat het goed is om eerlijk voor jezelf en voor anderen te zijn. Het is ook van belang om te trachten de zuiverheid van geest en lichaam naar een hoge graad van perfectie op te bouwen, om zo tot innerlijke verrijking van je sterfelijkheid te komen en bijgevolg van je onsterfelijke ziel. En dat lieve Thila, heb jij onbewust gerealiseerd. Ondanks alle beproevingen die jij in je leven hebt doorstaan, heb je steeds mijn boodschap in je hart bewaard. Vrede met jezelf, ondanks alle aanvallen van jouw vijanden. En dat ten opzichte van iedereen. En daarvoor ben ik, en zijn wij je ontzettend dankbaar. 

“Je bent van meet af aan steeds getrouw geweest aan de wetenschap dat God van je gevraagd heeft om de Goddelijke vonk in jezelf te erkennen en voort te gaan naar de vervulling van datgene wat voor de vooruitgang van jouw en van ieders ziel van werkelijk belang is. Je hebt altijd de gedachte levend gehouden dat je nimmer datgene zou willen doen wat je jezelf ook niet aangedaan zou willen worden. Dat bracht liefde in je eigen leven zodat je liefde hebt gebracht in de levens van anderen. Door steeds voort te gaan op het pad die je hebt ingeslagen, ben je zonder dat je het besefte, een gelukkig mens geworden. En toch zul je nog veel gelukkiger worden, maar dat zal zijn in het andere leven waartoe je thans bent geroepen. 

“Altijd heb je door het geven van een glimlach, aan anderen onbaatzuchtige waarden meegegeven. Door het brengen van vreugde in het leven van anderen, door je te gedragen als een mens die zelf vreugde in het leven heeft en die vreugde over heeft om door te geven aan anderen, heb je dat, hoewel meestal onwillekeurig, daadwerkelijk voor elkaar gebracht. Het was niet altijd gemakkelijk, zeker niet in tijden dat je ziekte de kop opstak en wanneer je twijfelde en onzeker was. Maar ook dan, en evenzeer juist dan, heb je je rekenschap gegeven van de liefde die je voor anderen en voor mens en dier, hebt ervaren. Een liefde die je zelf hebt ondervonden op de spaarzame momenten dat je de euforie van het geluk hebt kunnen proeven.

“Voor dit alles, lieve Thila, danken wij jou, omdat je ondanks alles er bijna  voortdurend in geslaagd bent om de boodschap die ik jou dertig jaar geleden bracht, daadwerkelijk in de praktijk hebt kunnen brengen. Nogmaals zeg ik je dat Ik weet dat je dat niet altijd gemakkelijk is afgegaan, want jouw aardse lichaam liet je veel te vaak in de steek en velen hebben dat lichaam niet gerespecteerd en daarom Thila, ben je nu zo moe en zo ziek. Wij uitnodigen je daarom uit om dit moede lichaam af te leggen. Het zal echter goed zijn voor jou om in enkele regels, in jouw eigen woorden, verslag te doen van alles wat zich in deze dertig jaren heeft afgespeeld. Het zal anderen kunnen helpen om met dezelfde moed, moeilijkheden en tegenslagen die zij op hùn weg tegenkomen, het hoofd te bieden en ze te laten beseffen dat het ook voor hen uiteindelijk de liefde, de vrede en het licht zal zijn die zal overwinnen. Spoedig zullen wij jou komen ophalen, lieve Thila, en jouw moeder Agnes zal er zijn en natuurlijk ook je zus Julie om je op te wachten en om jou in de armen te sluiten. 

“Ik dank je, lieve Thila, voor dit waarde-volle leven en thans beveel ik je aan in de Liefde van God de Vader.”

Dat was gisterennacht. Het was een heel verhaal en het verbaast me dat ik in staat ben om het bijna woordelijk weer te geven. Toen ik al die loftuitingen hoorde was ik stiekem toch wel een beetje trots op mezelf omdat ik me niet had gerealiseerd dat ik het er blijkbaar toch nog wel een beetje goed van heb afgebracht. Feit is dat ik de woorden van deze vrouw uit 1794 nooit ben vergeten en ik realiseer me nu dat ik blijkbaar onbewust het zaadje dat zij toen in mij plantte, heb laten ontkiemen.

Weer had ik een enorme hoestbui. Erger dan alle anderen en ik ben zo moe dat ik niet verder meer kan schrijven. Maar dat hoeft ook niet, want het verhaal is verteld. Ik vouw nu de papieren op en leg ze onder mijn kussen, waar Jochem ze zal vinden. Voor de dood ben ik niet bang meer en ik verheug me zo op het weerzien met mijn lieve Julie…


St Pietersberg

Gezicht op de St. Pietersberg vanuit Vaalserquartier