Lotus

Wang-Li

 

Preview uit: "Het avontuur van het leven"

 


Het is maandagavond 7 april 2003 in de Nederlands Hervormde kerk in Zwaag waar mijn dochter Irene en ik een Lichtcirkelbijeenkomst, geleid door Ellen Sombroek, bijwonen. Daarnaast doet Nienke Riemersma een diepgaande meditatie, waarbij de energie van de schepper luid en duidelijk doorklinkt.

Irene en ik zitten naast elkaar en hebben allebei deze bijzondere avond heel intensief beleefd. Irene vertelt me na afloop dat zij tijdens de bijeenkomst voelde dat er gedurende lange tijd een beschermende hand op haar schouder lag. Zij heeft dat ervaren als heel erg voldoening-gevend. Ikzelf had die ervaring niet; wel in het algemeen het gevoel dat er behalve degenen die fysiek aanwezig waren, ook een groot aantal aanwezigen van de andere kant van de sluiers hun opwachting hadden gemaakt. Zoiets is, zo is mijn ervaring, bij dergelijke bijeenkomsten, evenals bij 'reguliere' kerkdiensten, gebruikelijk.

Na afloop stapt er een dame op Irene en ons af die ik de hele avond aan de andere zijde van de kring, tegenover ons had zien zitten. Ze was mij enkele keren opgevallen en ik had gezien dat zij vaak intensief onze richting uitkeek. Zij verklaart haar gedrag met de boodschap helderziende gaven te bezitten en zegt dat zij iets aan ons te vertellen heeft.

Ze vertelt ons dat ze de hele avond een gestalte heeft waargenomen die, achter ons beiden staande, zijn beschermende handen op onze schouders heeft gelegd om ons het gevoel te geven: ‘alles is goed.’ En inderdaad, alles is uitzonderlijk goed op deze avond.

De gestalte wordt ons beschreven als zijnde een bijzonder breed mens met een Mongools uiterlijk en voorzien van een uitzonderlijk groot hoofd. De verschijning was niet alleen breedgeschouderd, maar het hele lichaam was proportioneel gezien buitengewoon breed. De beelden die ik daarbij kreeg waren van een man met een groot kaal hoofd en een kleine pluk lang zwart haar ongeveer in het midden. Zowel Irene als ik kunnen op dat moment weinig met deze informatie, maar het is wel overduidelijk dat het hier om iets buitengewoon 'goeds' gaat.

Later, onderweg naar huis, hebben wij samen geprobeerd deze wonderbaarlijke ont-moeting te duiden. Van veel eerder is het mij bekend dat ikzelf een incarnatie heb beleefd rond het jaar 600 in de stad Wei-Tschou, toen een belangrijke stad in het grensgebied tussen het toenmalige China en het 'barbarenland' aan de noordkant van de Chinese muur. Tegenwoordig is die stad een onbelangrijke provinciestad, Wei Xian genaamd, in de provincie Hebei met zijn hoofdstad Shijiazuang. De stad is gesitueerd op ca 250 km ten zuidwesten van Beijing. In die tijd bereikt China een cultureel hoogtepunt in zijn vroege geschiedenis, met de dichter Wang Wei als belangrijk exponent.

Hoe dan ook, Irene en ik brainstormen verder en we denken dat we indertijd als twee zusjes in een soort kindertehuis, bestemd voor bastaards en verschoppelingen van de plaatselijke Mandarijn, zijn opgevoed. Wij zouden onechte kinderen van deze belangrijke man zijn en om die reden, onzichtbaar voor de buitenwereld, in een groot kaal carrévormig gebouw zijn weggestopt. Het gebouw bezit hoge muren, weinig ramen, een pagode-achtig dak en een kale binnenplaats. Samen met de andere kinderen, wezen, verminkten en anderen die van het gewone volk moeten worden weggehouden, is het ons niet toegestaan om het gebouw te verlaten en wij slijten onze dagen in afzondering. Het voedsel is slecht en alle kinderen worden door de Chinese toezichthouders - allemaal mannen – om de haverklap geslagen en vernederd. De enige uitzondering daarop is een zekere Wang Li, een barbaar volgens de andere wachters, die met zijn monstrueuze uiterlijk duidelijk is begaan met het lot van de twee jonge meisjes. Hij probeert ons te beschermen en te helpen waar dat maar mogelijk is.

Omdat het duidelijk is dat de situatie voor zowel hemzelf als die van de twee kleine meisjes onhoudbaar is, bedenkt hij een plan om te ontsnappen. Dat dit een uiterst gevaarlijke onderneming zal worden moge duidelijk zijn.

Toch lukt het hem op zekere dag om ons in het holst van de nacht het gebouw uit te smokkelen en na heel veel angst, gevaar en ontberingen en vele omzwervingen komen wij terecht bij een hem bekende boerenfamilie, ergens in de provincie. De boer en boerin, die goedkope werkkrachten in het verschiet zien liggen, nemen ons ‘liefderijk’ op en beschouwen ons, ze kunnen zelf geen kinderen krijgen, als hun eigen nageslacht.

Wang Li zelf moet in verband met zijn buitenproportionele uiterlijk overdag binnengehouden worden, om ontdekking te voorkomen. Het zou veel te gevaarlijk zijn wanneer zijn aanwezigheid in het kleine dorp bekend zou worden. Hoewel de boerderij nogal afgelegen ligt, loopt de man veel te veel gevaar om te worden herkend en als dat zou gebeuren staat zijn lot wel vast. Hij zou hoe dan ook, na langdurig te zijn gemarteld, een wisse dood sterven.

Overdag doet Wang Li zijn best om ons te onderwijzen. Hij is zelf nooit naar school geweest maar door zijn uitzonderlijke intelligentie is hij erin geslaagd om zich in een groot aantal onderwerpen te bekwamen. Wat hij weet leert hij ons. Inclusief het duiden van de belangrijkste karakters waaraan de Chinese taal zo rijk is.

Het kan niet uitblijven. Als we wat groter worden, wordt er van ons verwacht dat we meehelpen op de boerderij, maar daarnaast krijgen we - zoveel we maar willen – onderricht van Wang Li. Deze naam kan in het Chinees ‘pakpaard’ betekenen (Het is zijn bijnaam; zijn echte – Mongoolse - naam heeft hij ons nooit verteld). Deze bijzondere en vriendelijke ziel, heeft zich ondanks zijn bijna potsierlijke uiterlijk dat bij velen weerzin opwerpt, op een wonderbaarlijke manier weten te ontwikkelen en is voor ons kinderen een gevoelige, meelevende en gepassioneerde geleerde vriend die, aan wie het maar wil horen, zijn kennis doorgeeft.

Dat de Mandarijn inmiddels niet stilzit moge duidelijk zijn. Vertoornd door de enorme brutaliteit van Wang Li om - hij was uiteindelijk lijfeigene - uit te breken en dan ook nog twee kinderen, die hij dan wel niet erkende, maar die toch deel uitmaakten van zijn nageslacht, zijn nalatenschap, mee te nemen, stuurt hij, zodra hij daartoe de mogelijkheid heeft, grote aantallen soldaten eerst de stad in en later het platteland op om Wang Li én ons gevangen te nemen en een lesje te leren.

Het is onvermijdelijk dat ook ons dorp wordt aangedaan en geholpen door plaatselijke klokkenluiders, daveren de mannen met ontblootte zwaarden de hoeve binnen waar wij ons bevinden. De boer en zijn vrouw worden onmiddellijk en zonder vorm van proces terechtgesteld maar in het geval van Wang Li is dat andere koek. Door zijn gedrongen postuur en zijn enorme spiermassa's in nek en armen, zijn de tengere soldaten geen partij. Al gauw bijten zij in het stof, maar opnieuw is het voor Wang Li en ons noodzakelijk om te vluchten, want deze voor hem slechte mare zou de Mandarijn in Wei-Tschou natuurlijk spoedig bereiken.

Dan beginnen de ontberingen pas goed. Het landschap in Hebei is kaal en vlak, dus zijn er weinig mogelijkheden om ons te verschuilen. Bovendien wordt het land doorsneden door vele rivieren, die we wadend of zwemmend moeten zien over te steken. We reizen ‘s-nachts onder de sterren en verstoppen ons overdag. Voorbij Xing Taj beginnen de heuvels en daarna de bergen en daar zullen er meer mogelijkheden zijn om een toevluchtsoord te vinden.

Om een lang verhaal kort te maken; na eerst weken in westelijke richting te hebben gelopen, om daarna naar het noordwesten af te buigen, probeert Wang Li met ons de streek te bereiken waar hij vandaan komt. Helaas ligt dat voorbij de grote muur. Het grote probleem, we zijn inmiddels buiten het gebied van de boze Mandarijn beland, is dan ook hoe ongezien over de muur te komen met zijn vele soldaten, zijn wachtposten en in deze roerige tijden, grote garnizoenen.

Hand in hand, met Wang-Li in het midden, lopen de twee kinderen in de richting van de grote muur. Het landschap wordt steeds ruwer en grimmiger en omdat er steeds minder bosschages voorkomen wordt het moeilijker om schuilplaatsen te vinden.

Op een avond, als ze een onderkomen hebben gevonden in een ondiepe grot, vertelt Wang-Li hen dat het uitsluitend overdag mogelijk is om de grote muur te trotseren. Alle poorten, die op afstanden van bijna vier kilometer van elkaar voorkomen, zijn altijd van zonsondergang tot zonsopgang hermetisch afgesloten. Overdag wordt elke poort bewaakt door zwaarbewapende troepen van de mandarijn onder wiens gezag het betreffende onderdeel ressorteert, ook ‘snachts wordt elk deel van de onbeklimbare muur voortdurend in de gaten gehouden. De moed zinkt de kinderen in de schoenen. Hoe zouden ze ooit aan de andere zijde van de grote muur kunnen komen en eindelijk van de vrijheid kunnen proeven waarnaar ze al zo lang hebben verlangd?

Desondanks hebben ze grenzeloos vertrouwen in de goedmoedige reus, die hen op zijn onnavolgbare optimistische wijze heeft uitgelegd dat, wanneer de Hogere Machten dat willen, er een weg zal blijken te zijn.

Toch voelen ze zich de volgende morgen verloren in dit woeste land. Er waait een koude noordwesten wind en hoewel de zon uitbundig schijnt en er geen wolkje aan de lucht is, huiveren ze als ze op de top van een heuvel een met hoge rietkragen omzoomd bergmeertje zien blinken waarin de reusachtige muur, die zij nu voor het eerst in zicht krijgen, zich weerspiegelt.

In de verte zien ze een poortgebouw, met een hele horde bewakers en ook op de muur zelf kunnen ze verschillende met pijl-en-boog en lansen bewapende wachten heen en weer zien lopen die – dat is wel duidelijk – vastbesloten zijn om niemand, noch van de ene, noch van de andere zijde doorgang te verlenen.

De kinderen zijn ten einde raad en zelfs Wang-Li trekt eens nadenkend aan zijn sik. Er is geen doorkomen aan, dat is wel duidelijk. “Kom,” zegt hij, “we moeten verder” en behoedzaam lopen ze langs en door het hoge riet, vlak langs het meertje om niet te worden gezien.

Plotseling wordt het een beetje donkerder. Dat is merkwaardig want de lucht is nog steeds wolkenloos! Ze moeten het zich verbeelden. Na enige tijd echter wordt het toch duidelijk dat er iets merkwaardigs aan de hand is. Het wordt echt donkerder en de temperatuur zakt ook merkbaar. De vogels, die tot dan toe luid kwinkelerend hun aanwezigheid kenbaar maken, vallen stil en wanneer ze in de vijver een reflectie van de zon zien oplichten, kunnen ze zien dat er een grote donkere sikkel, als het ware een grote hap, uit de zon is weggenomen!

“Zonsverduistering,” prevelt Wang-Li. “Dit is onze kans. Als we geluk hebben en de verduistering blijkt totaal te zijn, wordt het aardedonker en zullen de wachtposten ongetwijfeld hun aandacht omhoog richten in plaats van op de poort.”

De kinderen krijgen weer een sprankje hoop en als ze vlakbij de torens van het poortgebouw zijn, kunnen ze de wachters op een kluitje zien staan en tussen hun bijna gesloten vingers door, omhoog, naar de zon, zien staan staren. Het is nu bijna donker en de poort staat wijd open!

En precies op het moment dat de zon totaal verduistert, glippen Wang-Li en de kinderen door de poort en bevinden ze zich in het thuisland van de man die in China vaak de grote Barbaar wordt genoemd maar die in werkelijkheid een man van grote eruditie is.

Het is duidelijk dat Wang-Li hier de weg weet en terwijl de zon geleidelijk zijn oorspronkelijke gedaante herneemt, leidt Wang-Li de twee kinderen de vrijheid en een nieuw leven tegemoet.